ECLI:NL:RBROT:2021:6810

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2021
Publicatiedatum
16 juli 2021
Zaaknummer
C/10/620004 / FT EA 21/719 - C/10/620008 / FT EA 21/720
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoekster heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming binnen korte termijn zou plaatsvinden. Verzoekster ontvangt een AOW-uitkering en kan de lopende huurtermijnen betalen, mede met hulp van haar zoon en schuldhulpverlening.

De verweerster heeft aangegeven niet tot ontruiming over te gaan zolang de huurtermijnen worden voldaan. De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald.

Daarnaast wordt het verzoek van verzoekster tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.

De voorziening verlengt de huurovereenkomst en verplicht schuldhulpverlening om uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uit te brengen. De uitspraak is gedaan door rechter Prenger op 2 juli 2021.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden en verklaart het verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzen
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 2 juli 2021
[naam 1],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 10 juni 2021, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 11 juni 2021 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 juni 2021.
Ter zitting van 25 juni 2021 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [naam 2] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam
(hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [naam 3] (hierna: zoon);
  • de heer [naam 4] , werkzaam bij Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonbron Zorgzaam Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 5 maart 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster is vanwege haar leeftijd niet in staat om haar financiën zelf te regelen. Zij krijgt hierbij hulp van haar zoon. Haar zoon heeft ter zitting verklaard dat hij werkzaam is als zelfstandige, waardoor zijn inkomsten niet altijd consequent zijn. Hierdoor raakt hij het overzicht kwijt bij het betalen van de rekeningen van verzoekster. De huur van de maand juni 2021 is inmiddels door hem betaald en de huur van juli 2021 heeft hij gereserveerd.
Schuldhulpverlening heeft voor het minnelijk schuldhulpverleningstraject diverse voorbereidingshandelingen getroffen.
Verzoekster is aangemeld voor budgetbeheer. Verzoekster ontvangt een AOW-uitkering en is in staat de lopende huurtermijnen te betalen.

3.Het verweer

Ter zitting heeft verweerster verklaard dat zij tot een oplossing wenst te komten. Zolang verzoekster de lopende huurtermijnen blijft betalen, zal zij de ontruiming van de woning van verzoekster niet doorzetten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 5 maart 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 26 mei 2021 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op maandag 14 juni 2021 danwel woensdag 16 juni 2021 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 5 maart 2021 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt een AOW-uitkering en heeft daaruit een stabiel inkomen. De huur van juni 2021 is thans voldaan en de huur van juli 2021 is gereserveerd. Verzoekster is aangemeld voor budgetbeheer. Voorts is ter zitting besproken dat verzoekster zal deelnemen aan de pilot van de rechtbank Rotterdam waarbinnen zij middels een versneld traject onder beschermingsbewind kan worden gesteld. Schuldhulpverlening is betrokken en heeft reeds de nodige werkzaamheden verricht om ervoor zorg te dragen dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject binnen de duur van de verzochte voorziening kan worden doorlopen en er op korte termijn een aanbod voor een schuldenregeling kan worden gedaan aan de schuldeisers. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank neemt tevens in overweging dat verweerster heeft aangegeven open te staan voor een regeling met verweerster en dat zij, indien de lopende termijnen worden voldaan, niet langer wenst over te gaan tot ontruiming van de woning.
Namens verzoekster is ter zitting aangegeven dat zij het verzoek niettemin wenst te handhaven, zodat haar belangen ter zake (aanvullend) gewaarborgd zijn.
De rechtbank zal ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op nemen inhoudende dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen tijdig worden voldaan. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 5 maart 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de Hooglandstraat 93 E te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. A.A. Dadzie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2021.