ECLI:NL:RBROT:2021:6856

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2021
Publicatiedatum
19 juli 2021
Zaaknummer
C/10/621051 / KG ZA 21-549
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking royement hypothecaire inschrijving toegewezen

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres dat de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleent voor het doorhalen van de hypothecaire inschrijving van een lening die zij in 2003 had met gedaagde. Eiseres heeft de woning verkocht en wil de hypothecaire inschrijving laten royeren, maar gedaagde weigert mee te werken zonder betaling van het vermeende openstaande bedrag.

De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde in 2003 een verklaring heeft ondertekend waarin hij bevestigt dat de lening is voldaan. Gedaagde voert tegenbewijs aan met WhatsApp-berichten, maar dit betreft een andere lening en wordt onvoldoende aannemelijk geacht. Eiseres heeft bovendien een verklaring overgelegd van een derde die bevestigt dat de lening is terugbetaald.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van eiseres bij royement spoedeisend is en dat het bedrag waarover gedaagde aanspraak maakt in depot kan worden gehouden bij een notaris totdat in een bodemprocedure definitief wordt beslist wie recht heeft op het bedrag. De vordering wordt toegewezen onder deze voorwaarde en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot vervangende toestemming royement hypotheek toegewezen onder voorwaarde van depot bij notaris.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/621051 / KG ZA 21-549
Vonnis in kort geding van 16 juli 2021
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres,
advocaat mr. P.A. Visser te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.P. Vandervoodt te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 juni 2021;
  • de akte wijziging eis;
  • de 14 producties van [eiseres] ;
  • de productie van de [gedaagde] ;
  • de mondelinge behandeling op 9 juli 2021;
  • de pleitnotities van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2..De feiten

2.1.
In 2003 heeft [eiseres] de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: de woning) gekocht en geleverd gekregen. Voor de financiering van de woning is zij een hypothecaire lening aangegaan met ING Bank N.V. voor een bedrag van € 200.000,- en met [gedaagde] voor een bedrag van € 90.000,- (met rente en kosten begroot op
€ 144.000,-). De in dat kader op 31 januari 2003 notarieel opgemaakte hypotheekaktes zijn op 3 februari 2003, om 09.00 uur respectievelijk om 12.55 uur, ingeschreven in de registers van het Kadaster. Die inschrijving is sindsdien niet gewijzigd.
2.2.
Op 1 oktober 2003 heeft [gedaagde] een stuk ondertekend, waarin hij het volgende verklaart:
“Ondergetekende, [gedaagde] , (…) verklaart hierbij € 90.000 te hebben ontvangen van mevrouw [eiseres] , (…).
De tweede hypotheek van de heer [gedaagde] op [adres] komt bij deze te vervallen.”
2.3.
Op 6 april 2021 heeft [eiseres] een koopovereenkomst gesloten, waarin zij de woning verkoopt aan een derde tegen een koopsom van € 410.000,-. In de koopovereenkomst is onder meer bepaald dat een partij die in gebreke blijft de koopovereenkomst na te komen een boete verschuldigd is aan de wederpartij van 10% van de koopsom na ontbinding dan wel 3‰ van de koopsom voor iedere dag dat de tekortkoming voortduurt met een maximum van 10% van de koopsom.
2.4.
Het passeren van de akte van levering stond gepland op 30 juni 2021 bij 010Notaris te Rotterdam.
2.5.
Bij e-mail van 27 juni 2021 heeft [gedaagde] aan de notaris medegedeeld alleen medewerking aan royement van de hypotheek te verlenen als minimaal het hypotheekbedrag met rente en kosten wordt overgemaakt aan hem.
2.6.
Bij brief van 1 juli 2021 heeft de koper [eiseres] in gebreke gesteld en haar gesommeerd binnen 8 dagen de koopovereenkomst na te komen door eigendomsoverdracht van de woning.

3..Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair: vervangende toestemming te geven aan [eiseres] , waarbij het te wijzen vonnis in de plaats treedt van alle door [gedaagde] te verrichten feitelijke of rechtshandelingen daaronder begrepen maar niet daartoe beperkt tot de medewerking, toestemming en welke (rechts)handeling dan ook voor het doorhalen van de hypothecaire inschrijving op de woning aan de [adres] te Rotterdam die is ingeschreven in het Kadaster op 3 februari 2003 om 12.55 uur en het bedrag waarop [gedaagde] meent aanspraak te maken, onder te brengen door middel van een depotovereenkomst, althans Escrow-overeenkomst op de kwaliteitsrekening van 010Notaris, althans een notaris, onder de voorwaarde dat binnen 4 weken na betekening van het te wijzen vonnis een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt;
subsidiair: het ondertekenen van de akte van royement en/of volmacht van royement strekkende tot royement van de hypothecaire geldlening ad € 90.000,-­ zoals die is ingeschreven in het Kadaster op 3 februari 2003 om 12.55 uur;
meer subsidiair tot veroordeling tot het meewerken aan de totstandkoming van de Escrow-overeenkomst onder opschortende voorwaarden inhoudende dat het bedrag waar [gedaagde] meent rechthebbend op te zijn in depot blijft onder de notaris tot in een bodemprocedure is beslist wie rechthebbend is op voormeld bedrag;
subsidiair en meer subsidiair: tot veroordeling van de gevorderde medewerking binnen 12 uur na betekening van het te wijzen vonnis onder verbeurte van een dwangsom ad € 15.000,-- per dag tot een maximum ad € 300.000,-- althans onder verbeurte van een dwangsom tot een maximum door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
primair, subsidiair en meer subsidiair: met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4..De beoordeling

4.1.
[eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering en dat is ook niet betwist door [gedaagde] .
4.2.
Vaststaat dat [gedaagde] de schriftelijke verklaring van 1 oktober 2003 heeft ondertekend. Die verklaring levert op grond van artikel 157 lid 2 Rv Pro tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, behoudens tegenbewijs.
4.3.
[gedaagde] voert aan dat hij op basis van de toezegging van [eiseres] , dat zij het bedrag zou overmaken aan hem, de verklaring had ondertekend, maar dat betaling vervolgens nimmer heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] Whatsapp-communicatie tussen partijen overgelegd, waarin [eiseres] volgens [gedaagde] zou bevestigen dat het hypotheekbedrag nog open stond. In het overzicht van de tussen partijen gevoerde correspondentie is, voor zover relevant, het volgende te lezen:
“(…)
03-05-21 17:40 - [naam] : Er staat een behoorlijk bedrag open. Jouw ex laat niks van zich horen. Jouw papiertje stel niks voor. Nooit ontvangen. Ik ga de aflossing doorsturen naar de notaris.
3-05-21 19:36 - [eiseres] : Jammer dat je zo reageert
03-05-21 19:36 - [eiseres] : Ik wil je gewoon je geld geven
03-05-21 19:38 - [eiseres] : Als het huis verkocht is
03-05-21 19:38 - [eiseres] : Je vergeet dat mijn eigen zweet geld in het huis zit
03-05-21 19:46 - [eiseres] : Je kunt de helft van het geld van mij krijgen wanneer je tekent , de rest na de verkoop
(…)”
[eiseres] heeft ter zitting daarover verklaard dat die correspondentie geen betrekking had op het hypotheekbedrag, maar op een andere lening van € 30.000,-.
Daarnaast wijst [gedaagde] erop dat de door [eiseres] gestelde aflossing niet rijmt met het feit dat zij daarna nog een half jaar rente heeft betaald aan [gedaagde] . [eiseres] heeft dat niet betwist, maar geeft te kennen dat zij na een half jaar is gestopt met het betalen van rente, omdat zij de schuld juist had afgelost.
Wat [gedaagde] aanvoert en onderbouwt, roept weliswaar vragen op die door de verklaringen van [eiseres] ter zitting niet volledig kunnen worden weggenomen, maar daar staat tegenover dat [gedaagde] 18 jaar lang stil heeft gezeten. Hij heeft, zoals [eiseres] onbetwist heeft gesteld, tot 2021 nimmer tegenover [eiseres] te kennen gegeven dat zij hem nog het hypotheekbedrag en/of rente daarover verschuldigd was. Bovendien heeft zij een verklaring overgelegd van haar ex-partner van 7 juli 2021, waarin deze verklaart aanwezig te zijn geweest toen [eiseres] het bedrag contant aan [gedaagde] terugbetaalde.
Bij de huidige stand van zaken, heeft [gedaagde] voorshands geoordeeld onvoldoende tegenbewijs geleverd om te twijfelen aan het dwingende bewijs van de kwitantie. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de hypothecaire lening destijds is terugbetaald door [eiseres] aan [gedaagde] .
4.4.
Van belang is ook dat in de vordering van [eiseres] ligt besloten dat het bedrag waarop [gedaagde] meent aanspraak te maken, in depot wordt gehouden op een kwaliteitsrekening van de notaris, in afwachting van de uitkomst van een aanhangig te maken bodemprocedure. De vraag of [eiseres] het hypotheekbedrag in 2003 aan [gedaagde] heeft betaald, zal dan in de bodemprocedure, waarin partijen hun stellingen met alle bewijsmiddelen kunnen leveren, worden beoordeeld. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zal de notaris het bedrag vanuit de kwaliteitsrekening uitkeren aan [gedaagde] of [eiseres] . De vrees van [gedaagde] dat er beslag kan worden gelegd op de derdenrekening van de notaris en dat zijn verhaalspositie jegens [eiseres] daarmee in gevaar komt, is niet geconcretiseerd en weegt niet op tegen het – wel geconcretiseerde – belang van [eiseres] om te voorkomen dat haar boete op grond van de koopovereenkomst steeds meer oploopt.
4.5.
Het voorgaande tezamen bezien, is er voldoende grond om te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde] ten behoeve van het doorhalen van de hypothecaire inschrijving op de woning, onder de voorwaarde dat het bedrag van
€ 144.000,- (zijnde het ingeschreven hypotheekbedrag vermeerderd met rente en kosten) in depot wordt geplaatst op de kwaliteitsrekening van 010Notaris totdat in een aanhangig te maken bodemprocedure onherroepelijk is beslist wie rechthebbende is van het bedrag dan wel totdat partijen over de uitkering daarvan overeenstemming hebben bereikt.
4.6.
Het subsidiair en meer subsidiair gevorderde behoeft daarmee geen bespreking meer.
4.7.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- betekening oproeping € 103,83
- griffierecht € 309,00
- salaris advocaat
€ 1.016,00
Totaal € 1.428,83
4.8.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.
De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5..De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde] ten behoeve van het doorhalen van de hypothecaire inschrijving op de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam die is ingeschreven in het Kadaster op 3 februari 2003 om 12.55 uur, onder de voorwaarde dat het bedrag van € 144.000,- in depot wordt geplaatst op de kwaliteitsrekening van 010Notaris totdat in een aanhangig te maken bodemprocedure onherroepelijk is beslist wie rechthebbende is van het bedrag dan wel totdat partijen over de uitkering daarvan overeenstemming hebben bereikt;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.428,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2021.
2091 / 1980