ECLI:NL:RBROT:2021:6894
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wegens ontbreken concrete zorgen
De rechtbank Rotterdam behandelde op 22 juni 2021 een zaak betreffende vier kinderen die op 9 juni 2021 voorlopig onder toezicht waren gesteld en met spoed uit huis geplaatst vanwege de voorlopige hechtenis van hun ouders op verdenking van ernstige strafbare feiten. De ouders werden later heengezonden en de kinderen wonen sindsdien weer thuis.
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de directe grond, namelijk detentie van de ouders, was vervallen. De gecertificeerde instelling stelde dat er geen concrete zorgen zijn over de opvoeding en verzorging, mede doordat ouders medewerking verlenen aan hulpverlening en grootmoeders ondersteuning bieden.
De ouders voerden verweer dat de verdenking geen grond mag zijn voor ondertoezichtstelling en dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat het toepasselijke recht Nederlands is, met een nadere toelichting op het gezag over het oudste kind vanwege internationale aspecten.
Gezien het ontbreken van concrete zorgen en het feit dat de kinderen weer thuis wonen, besloot de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing op te heffen. Het verzoek tot verdere maatregelen werd afgewezen. De beschikking is op 7 juli 2021 schriftelijk vastgesteld.
Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen zijn opgeheven wegens het ontbreken van concrete zorgen.