Tussen Havensteder als verhuurder en [persoon A] als huurder bestaat sinds 1992 een huurovereenkomst voor een opslagruimte te Rotterdam. [persoon A] heeft een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd, ondanks aanmaningen en sommatie.
Havensteder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, betaling van achterstallige huur, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. [persoon A] verzet zich en vordert in reconventie een huurkorting van 50% vanaf april 2020 vanwege de coronacrisis en het Bibop-onderzoek.
De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand substantieel is en ontbinding gerechtvaardigd. Het verzoek tot huurkorting wordt afgewezen omdat [persoon A] de financiële gevolgen onvoldoende heeft onderbouwd en de huurachterstand deels al bestond voor de coronacrisis. De wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. De gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen wordt bevestigd.