ECLI:NL:RBROT:2021:6976
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek schuldsaneringsregeling ondanks niet te goeder trouw ontstane schulden
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft verzoekster telefonisch gehoord en het verzoekschrift beoordeeld op de gestelde eisen. Verzoekster verkeert in een situatie waarin zij is opgehouden met betalen of redelijkerwijs niet kan voortgaan met betaling van haar schulden.
De rechtbank constateert dat enkele schulden, waaronder een schuld aan het CJIB en de Belastingdienst, niet te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten. De schuld aan het CJIB betreft snelheidsovertredingen uit 2018 en de schuld aan de Belastingdienst betreft teruggevorderde kinderopvangtoeslag en motorrijtuigenbelasting. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt treft.
Desondanks wijst de rechtbank het verzoek toe op grond van artikel 288, derde lid Faillissementswet, omdat verzoekster de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. Verzoekster heeft onder meer verklaard geen auto meer op naam te zetten en beschikt niet meer over een auto. Sinds juni 2019 is er budgetbeheer waardoor haar schulden beheersbaar zijn en haar uitgavenpatroon wordt bewaakt.
De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en kent een voorschot toe op de vergoeding van de bewindvoerder. De procedure wordt als hoofdprocedure geopend omdat het centrum van voornaamste belangen in Nederland ligt.
Uitkomst: Verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt toegewezen ondanks niet te goeder trouw ontstane schulden vanwege beheersbare situatie en budgetbeheer.