Eisers vorderden ontbinding van een vermeende aannemingsovereenkomst, terugbetaling van betaalde bedragen en schadevergoeding. Zij baseerden hun vorderingen op een offerte en factuur opgesteld door gedaagde, en stelden dat zij betalingen aan een tussenpersoon hadden gedaan die als werknemer van gedaagde werd beschouwd.
De kantonrechter oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het bestaan van een overeenkomst tussen eisers en gedaagde vast te stellen. Uit getuigenverklaringen en chatberichten bleek dat het contact aanvankelijk alleen met de tussenpersoon was, die ook de offerte en factuur aan eisers overhandigde. Er was geen getekende overeenkomst en geen directe betaling aan gedaagde.
De kantonrechter concludeerde dat eisers niet aan hun bewijsopdracht hadden voldaan. De vorderingen werden daarom afgewezen. Een verzoek van gedaagde tot vergoeding van reële proceskosten werd eveneens afgewezen, omdat de vordering van eisers niet evident ongegrond was.
Eisers werden veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, vastgesteld op € 2.490,00. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 juli 2021.