Eiser, gespecialiseerd in bouwwerkzaamheden, sloot een overeenkomst van opdracht met gedaagde, die vanaf juli 2020 werkzaamheden verrichtte. Eiser stuurde 16 facturen ter waarde van €22.678,-, waarvan €15.900,- reeds was betaald door gedaagde. Eiser vorderde betaling van het resterende bedrag van €6.778,- plus rente en incassokosten.
Gedaagde betwistte de vordering, stellende dat de facturen onjuist waren omdat uren dubbel in rekening waren gebracht en dat zij betalingen had gedaan die niet in de overzichten waren verwerkt. Tevens stelde zij dat zij schulden van eiser had afbetaald.
De kantonrechter oordeelde dat de uren van derden die door eiser waren ingeschakeld terecht in rekening waren gebracht, mits eiser controleert of gedaagde deze al heeft vergoed. Gedaagde had onvoldoende concreet bewijs geleverd voor haar betwisting van de facturen. Een betaling van €300,- was niet in het overzicht opgenomen en werd in mindering gebracht. Betalingen voor kleine onkosten werden niet als betaling van facturen aangemerkt. De stelling dat gedaagde schulden van eiser had betaald was onvoldoende onderbouwd.
De kantonrechter wees de hoofdsom van €6.478,- toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen. Tevens werden buitengerechtelijke incassokosten van €863,82 toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.