De zaak betreft een geschil over de toedeling van een huurwoning na het beëindigen van de affectieve relatie tussen [persoon B] en [persoon C], die samenwoonden met twee kinderen. [persoon B] staat onder bewind wegens problematische schulden en ontvangt een Wajong-uitkering. De huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] te Brielle werd door beiden ondertekend.
Na beëindiging van de relatie in juli 2020 en een kort geding waarbij [persoon C] werd bevolen de woning te verlaten, vorderde de bewindvoerder van [persoon B] dat [persoon C] definitief de woning verlaat en dat [persoon B] het exclusieve genot krijgt. [persoon C] vorderde in reconventie het omgekeerde.
De kantonrechter overwoog dat de belangen van [persoon B], mede vanwege haar psychische problematiek en de noodzaak van een stabiele woonomgeving voor haar en haar kinderen, zwaarder wegen dan die van [persoon C], die een hoger inkomen heeft en meer mogelijkheden heeft om alternatieve woonruimte te vinden. De vordering van [persoon A] werd toegewezen en die van [persoon C] afgewezen, met compensatie van proceskosten.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en de kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.