ECLI:NL:RBROT:2021:7191

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
ROT 21/290
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AwirAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar en beroep tegen vaststelling voorschot zorg- en huurtoeslag 2020

Eiseres maakte bezwaar tegen de vaststelling van het voorschot zorg- en huurtoeslag over 2020, omdat zij stelde dat een medebewoner op 29 juni 2020 uit de woning was vertrokken, maar nog niet was uitgeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp). Zij had de gemeente Rotterdam verzocht een adresonderzoek uit te voeren om dit te corrigeren.

Verweerder stelde dat het verzoek tot adresonderzoek pas op 18 september 2020 door de gemeente was ontvangen en dat daarom de medebewoner pas vanaf 1 oktober 2020 buiten beschouwing mocht worden gelaten bij de toeslagberekening. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het verzoek eerder was ingediend.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af, aangezien verweerder reeds een vergoeding had toegekend voor de kosten in bezwaar. De uitspraak bevestigt dat de huurtoeslag voor de maanden juli tot en met september 2020 correct was vastgesteld met inachtneming van de inschrijving in de Brp.

Partijen werd gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit II wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het voorschot huurtoeslag over 2020 blijft ongewijzigd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/290

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. J. de Back,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

gemachtigde: N. Marienus.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag voor 2020 (ongewijzigd) vastgesteld op € 312,- en het voorschot huurtoeslag voor eiseres over 2020 (ongewijzigd) vastgesteld op € 933,-.
Bij besluit van 7 december 2020 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 18 februari 2021 (bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres deels gegrond verklaard. Het voorschot huurtoeslag voor 2020 is hierbij vastgesteld op € 3.474,- en het voorschot zorgtoeslag voor 2020 is vastgesteld op € 1.250,-. Verweerder heeft hierbij € 534,- vergoed voor de in bezwaar gemaakte kosten.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021. Eiseres is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. drs. S.H. van Wingerden.

Overwegingen

1. Met bestreden besluit II heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist, waarbij het primaire besluit (gedeeltelijk) is herroepen. Nu verweerder bestreden besluit I deels heeft ingetrokken staat daarmee vast dat dit besluit onrechtmatig is.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de vaststelling van het voorschot huurtoeslag over 2020, voor zover het buiten beschouwing laten van [naam] bij de berekening van de huurtoeslag over de maanden juli tot en met september 2020.
2. Verweerder heeft bij het primaire besluit overwogen dat [naam] vanaf 31 maart 2020 tot heden op het woonadres van eiseres, [adres], in de Basisregistratie personen (Brp) stond ingeschreven. Volgens artikel 2, eerste lid, onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is de medebewoner de persoon is die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende (toeslagadres) staat ingeschreven in de Brp. Het college van burgemeester en wethouders is voor de inschrijving in de Brp verantwoordelijk.
3. Eiseres heeft in bezwaar toegelicht dat [naam] op 10 mei 2020 uit de woning is vertrokken, maar zich niet heeft uitgeschreven. Eiseres stelt dat zij op 29 juni 2020 middels formulier Verzoek tot het in onderzoek stellen van adresgegevens, de gemeente Rotterdam gevraagd heeft de uitschrijving uit voeren. Bij brief van 18 september 2020 heeft eiseres de gemeente verzocht haar uitkering binnen 7 dagen te herstellen, onder verbeuring van een dwangsom. Hierbij is aangegeven dat op 31 juli 2020 een reactie is ontvangen waarin is aangegeven dat het adresonderzoek nog niet heeft plaatsgevonden, doordat er geen formulier zou zijn ingediend. In de brief van 18 september 2020 heeft eiseres tevens aangegeven dat zij op 5 augustus 2020 per email een scan van het formulier als bewijsstuk heeft ingediend en op 12 augustus 2020 de gevraagde verklaringen omtrent stortingen op haar rekening heeft overgelegd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij aannemelijk heeft gemaakt zij op 29 juni 2020 kenbaar heeft gemaakt dat [naam] niet meer op haar adres woonachtig was, zodat de huurtoeslag per juli 2020 kan worden toegekend.
4. Bij bestreden besluit I heeft verweerder overwogen dat uit de toegezonden bewijsstukken onvoldoende naar voren is gekomen dat [naam] eerder is verhuisd. Voor het bepalen van de verhuisdatum van de medebewoner wordt de startdatum van een adresonderzoek door de gemeente aangehouden of de dagtekening van het oudste bewijsstuk waaronder, poststukken, een huurcontract of bankbetalingen van de huur van het nieuwe adres van de medebewoner.
Voorts is bij bestreden besluit II overwogen dat uit de brief van 18 september 2020 blijkt dat de gemeente het verzoek tot het in onderzoek stellen van adresgegevens met dagtekening 29 juni 2020 niet in werking heeft gezet doordat er geen formulier zou zijn ingediend. Uit de brief van de gemeente Rotterdam van 21 september 2020, blijkt dat deze brief van 18 september 2020, door de gemeente op laatstgenoemde is ontvangen. Op grond hiervan stelt verweerder dat [naam] met ingang van 1 oktober 2020 buiten beschouwing gelaten wordt bij de berekening van huurtoeslag. Voor eerdere buiten beschouwing laten is geen reden. Hierbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVST:2015:583.
5. Zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling, zodat op de verstrekking daarvan de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing is.
Op grond van artikel 2, eerste lid, onder e, van de Awir, is een medebewoner de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie
personen als de belanghebbende.
6. De rechtbank overweegt dat verweerder naar aanleiding van de bij het beroepschrift overgelegde brief van de gemeente Rotterdam van 21 september 2020 bestreden besluit II heeft genomen.
De rechtbank volgt verweerder in het bij bestreden besluit II ingenomen standpunt dat uit deze brief van de gemeente van 21 september 2020 valt af te leiden dat het verzoek van eiseres tot het instellen van onderzoek naar de adresgegevens op 18 september 2020 door de gemeente is ontvangen. Op grond hiervan heeft verweerder terecht besloten dat [naam] met ingang van 1 oktober 2020 buiten beschouwing gelaten wordt bij de berekening van huurtoeslag.
De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij reeds op 29 juni 2020 kenbaar heeft gemaakt dat [naam] niet meer op haar adres woonachtig was. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat in de voornoemde brief van 18 september 2020 is aangegeven dat de gemeente op 31 juli 2020 heeft gereageerd met de mededeling dat het adresonderzoek nog niet in werking is gezet, omdat er geen formulier zou zijn ingediend. Dat de gemeente op 31 juli 2020 heeft gereageerd, is niet met gegevens onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat eiseres het op haar op 29 juni 2020 ondertekende formulier ‘Verzoek tot het in onderzoek stellen van adresgegevens’, waarvan een afschrift is overgelegd, heeft ingediend of op een andere wijze voor 18 september 2020 een verzoek tot adresonderzoek bij de gemeente Rotterdam heeft ingesteld. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die gerede twijfel zaaien met betrekking tot het eerder indienen van een verzoek tot onderzoek van inschrijving bij de gemeente voor 18 september 2020.
7. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond.
8. Ten aanzien van het verzoek van eiseres om vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten, overweegt de rechtbank dat eiseres bij het beroepschrift van 18 januari 2021 een afschrift van de brief van de gemeente Rotterdam van 21 september 2020 heeft overgelegd. Met deze brief is komen vast te staan dat eiseres op 18 september 2020 een verzoek had ingediend, hetgeen geleid heeft tot verweerders standpunt in bestreden besluit II. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het vergoeden van de proceskosten van het beroep gericht tegen bestreden besluit I. Dat verweerder met het nemen van bestreden besluit II € 534,- vergoed heeft voor de gemaakte kosten in bezwaar, maakt dit niet anders.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 juli 2021.
De griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.