Waterweg Wonen vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een woning vanwege vermeende voorbereidingshandelingen voor drugshandel in het gehuurde. De vordering is gebaseerd op de aanwezigheid van attributen in de kelderbox die volgens Waterweg Wonen duiden op het versnijden en verpakken van harddrugs, in strijd met de Opiumwet en de huurovereenkomst.
De rechtbank stelt vast dat hoewel de politie bij een doorzoeking diverse voorwerpen heeft aangetroffen die mogelijk verband houden met drugshandel, onvoldoende is komen vast te staan dat deze attributen daadwerkelijk in of vanuit het gehuurde zijn gebruikt voor voorbereidingshandelingen. De enkele aanwezigheid van deze goederen is niet voldoende om te concluderen dat de huurder tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
Waterweg Wonen heeft ook aangevoerd dat de bestemming van het gehuurde is gewijzigd door bedrijfsmatig gebruik, maar ook dit is niet aannemelijk gemaakt. De burgemeester van Rotterdam had eerder een besluit genomen tot sluiting van de kelderbox, maar dit besluit is later herroepen.
De rechtbank concludeert dat Waterweg Wonen onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. De vorderingen worden daarom afgewezen en Waterweg Wonen wordt veroordeeld in de proceskosten.