Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verdere procesverloop
- het tussenvonnis van 5 maart 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de rolbeslissing van 21 mei 2021.
Rechtbank Rotterdam
Kesmi B.V. vorderde betaling van een geldlening van €9.750,- van gedaagde, onderbouwd met een schuldbekentenis. Tijdens de procedure bleek dat Kesmi materieelrechtelijk was opgehouden te bestaan, maar dit vormde geen beletsel voor voortzetting van de procedure.
Kesmi bood bewijs aan door getuigenverhoren en een deskundigenonderzoek, maar betaalde het voorschot voor het deskundigenonderzoek niet, waardoor dit niet plaatsvond. Vier getuigen van Kesmi verklaarden over de geldverstrekking, maar hun verklaringen waren tegenstrijdig over het bedrag, de wijze van betaling, de persoon die het geld gaf en het doel van de lening. Gedaagde ontkende de lening en de ondertekening van de schuldbekentenis.
De rechtbank oordeelde dat de schuldbekentenis slechts vrije bewijskracht had en dat Kesmi niet was geslaagd in haar bewijsopdracht. De tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van steunbewijs leidden tot afwijzing van de vorderingen. Kesmi werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Kesmi af wegens onvoldoende bewijs en veroordeelt Kesmi in de proceskosten.