De rechtbank Rotterdam behandelde de beroepen van twee ondernemingen tegen boetes opgelegd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wegens overtredingen van de Wet dieren en de Meststoffenwet. De boetes betroffen onder meer het ontbreken van correcte handelsdocumenten, onjuiste registratie van mestvrachten en het niet naleven van bemonsterings- en meldingsverplichtingen.
De toezichthouders van de NVWA constateerden meerdere overtredingen bij verschillende vrachten mest, waaronder onjuiste gewichtsopgaven en het ontbreken van verplichte documenten. Eiseressen erkenden de overtredingen niet te betwisten, maar voerden aan dat er sprake was van bijzondere omstandigheden zoals een chaotische situatie na een val van een familielid en dat de administratieve fouten achteraf waren hersteld.
De rechtbank oordeelde dat de overtredingen terecht waren vastgesteld en dat de boetes terecht waren opgelegd. De aangevoerde omstandigheden rechtvaardigden geen matiging wegens verminderde verwijtbaarheid. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de boetezaken was overschreden, waardoor de boetes met respectievelijk 5% en 10% werden verlaagd. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten wegens de termijnoverschrijding.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten voor zover zij de hoogte van de boetes betroffen en herroept de primaire besluiten voor dat deel. De aangepaste boetebedragen werden vastgesteld op €7.125,-, €540,- en €1.620,- voor de respectieve zaken. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.