Eiseres kreeg een boete van €2.500 opgelegd wegens het opgeven van onjuiste hoeveelheden mest op handelsdocumenten bij export naar België. De overtreding werd vastgesteld op basis van een rapport van toezichthouders van de NVWA die constateerden dat de gewichten op handelsdocumenten niet overeenkwamen met de werkelijke hoeveelheden. Eiseres voerde aan dat het exacte gewicht pas in België kon worden vastgesteld en dat zij niet verantwoordelijk was voor de fouten van de vervoerder.
De rechtbank oordeelde dat de leverancier (eiseres) naast de vervoerder verantwoordelijk is voor correcte handelsdocumenten, omdat zij feitelijke controle heeft over de mest en de administratie. De afwijkingen waren zodanig dat deze zichtbaar hadden moeten zijn, mede omdat een medewerker van eiseres de mest had geladen. De overtreding vormt een risico voor volks- en diergezondheid doordat meststromen niet traceerbaar zijn.
Hoewel eiseres stelde dat de fout slechts administratief was zonder gevolgen voor gezondheid of milieu, verwierp de rechtbank dit omdat de traceerbaarheid essentieel is en niet achteraf kan worden hersteld. De boete werd als proportioneel beschouwd. Wel matigde de rechtbank de boete met 5% wegens een overschrijding van bijna zes maanden van de redelijke termijn voor het opleggen van de boete, waardoor het bedrag werd vastgesteld op €2.375.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft en herroept het primaire besluit voor dat onderdeel. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten wegens de termijnoverschrijding. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.