De rechtbank Rotterdam behandelde de beëindiging van een schuldsaneringsregeling waarbij schuldenaar een boedelachterstand had van €9.798,15. Tijdens de regeling ontving schuldenaar een erfenis van ruim €88.900, waarvan slechts een deel werd afgedragen aan de boedel. Schuldenaar stelde dat deze erfenis niet aan de boedel hoefde te worden afgedragen vanwege een beschikking van de rechter-commissaris die de afdrachtverplichting beperkte.
De rechtbank oordeelde dat volgens de Faillissementswet (artikelen 295 en 349a) alle goederen die schuldenaar tijdens de regeling verkrijgt, waaronder een erfenis, in de boedel vallen. De beschikking van de rechter-commissaris beperkte slechts de afdracht van inkomen en periodieke uitkeringen, niet van vermogensbestanddelen zoals een erfenis. Schuldenaar was daarom tekortgeschoten in zijn verplichting tot volledige afdracht.
Hoewel schuldenaar aanvankelijk verkeerde informatie had ontvangen van de bewindvoerder, kon hem dit niet volledig worden toegerekend. De rechtbank gaf schuldenaar tot 31 mei 2021 de gelegenheid om alsnog de volledige netto erfenis aan de boedel af te dragen. De rechtbank stelde tussentijds hoger beroep open met schorsende werking en hield verdere beslissing aan tot na ontvangst van het bericht van de bewindvoerder over de afdracht.