In deze zaak vordert de verhuurster betaling van achterstallige huur en stelt zij de bestuurder van de huurdersvennootschap persoonlijk aansprakelijk op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De huurovereenkomst betrof een bedrijfsruimte en liep oorspronkelijk van februari 2017 tot februari 2018, zonder automatische verlenging. De vennootschap werd ambtshalve uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel in december 2018.
De verhuurster stelt dat de bestuurder willens en wetens heeft toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam en dat hij door het uitschrijven van de vennootschap vermogensbestanddelen heeft onttrokken, waardoor hij persoonlijk aansprakelijk is. De bestuurder betwist dit en stelt dat de huurovereenkomst niet is verlengd en dat het gebruik na afloop van de huurperiode berustte op een onderlinge samenwerking. Tevens stelt hij dat hij niet verantwoordelijk is voor de uitschrijving door de Kamer van Koophandel.
De kantonrechter overweegt dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder een hoge drempel geldt en dat onvoldoende feiten zijn gesteld waaruit blijkt dat de bestuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet zou kunnen betalen. Ook is niet komen vast te staan dat de bestuurder willens en wetens heeft toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam. De uitschrijving van de vennootschap was een ambtshalve handeling van de Kamer van Koophandel, waarvoor de bestuurder niet persoonlijk kan worden aangesproken.
De vordering wordt daarom afgewezen en de verhuurster wordt veroordeeld in de proceskosten.