De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van drie woninginbraken. Voor het eerste feit, gepleegd op 2 maart 2021, bekende de verdachte de diefstal van diverse goederen uit een woning. Voor de twee eerdere woninginbraken, gepleegd in november en december 2020, werd de verdachte vrijgesproken omdat het enkele aantreffen van DNA op gemakkelijk te verplaatsen objecten onvoldoende bewijs vormde.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 21 maanden, maar de rechtbank legde een lagere straf op vanwege de vrijspraak van twee feiten. De rechtbank motiveerde de straf op basis van de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten.
De verdachte werd veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd de benadeelde partij in een van de niet-bewezen feiten niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde de benadeelde partij in de kosten.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor een veroordeling, waarbij DNA-sporen op verplaatsbare objecten niet automatisch leiden tot bewezenverklaring van een woninginbraak.