Op 20 oktober 2020 vond een woninginbraak plaats waarbij gouden en/of zilveren kettingen werden weggenomen. Bij het sporenonderzoek werden twee schroevendraaiers veiliggesteld waarop DNA van de verdachte werd aangetroffen. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 66 dagen voorwaardelijk.
De rechtbank oordeelde dat het DNA op de schroevendraaiers niet wettig en overtuigend bewijst dat de verdachte de inbraak heeft gepleegd. Er was ook DNA van andere personen aangetroffen, waardoor niet is uit te sluiten dat een van hen de inbreker was. De hoeveelheid DNA van de verdachte was relatief groot, maar dat was onvoldoende om zijn schuld te bewijzen.
Daarom verklaarde de rechtbank het ten laste gelegde feit niet bewezen en sprak de verdachte vrij. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 7 juli 2021.