ECLI:NL:RBROT:2021:7666

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 juli 2021
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
ROT 21/1506
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AwirArt. 2 AwirArt. 21 AwrArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik jaarinkomen toeslagpartner voor toeslagen en belangenafweging terugvordering

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen waarbij de zorgtoeslag, het kindgebondenbudget en de huurtoeslag over 2019 definitief werden vastgesteld en teveel ontvangen voorschotten werden teruggevorderd.

Verweerder baseerde het besluit op het gezamenlijke toetsingsinkomen, waarbij het jaarinkomen van de toeslagpartner over het gehele kalenderjaar werd gebruikt, conform dwingend recht zoals neergelegd in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Eiseres voerde aan dat dit onjuist was omdat zij slechts acht maanden van het inkomen van haar ex-partner had genoten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder juridisch juist had gehandeld en dat het gebruik van het jaarinkomen van de toeslagpartner verplicht was. Hoewel verweerder aanvankelijk geen belangenafweging had gemaakt ten aanzien van de terugvordering, werd dit gebrek in het verweerschrift alsnog hersteld. De rechtbank paste artikel 6:22 Awb Pro toe om het motiveringsgebrek te passeren. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiseres vanwege het motiveringsgebrek en de daarmee samenhangende procedurele tekortkoming.

De rechtbank wees erop dat eiseres om een betalingsregeling kon verzoeken vanwege haar financiële en gezondheidssituatie en dat contact met haar gemachtigde diende plaats te vinden. De uitspraak werd mondeling gedaan op 21 juli 2021 door rechter F.P.J. Schoonen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/1506
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).

Procesverloop

In het besluit van 31 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder de zorgtoeslag over 2019 voor eiseres definitief vastgesteld op € 1.467,-, het kindgebondenbudget vastgesteld op € 3.864,- en de huurtoeslag voor 2019 definitief vastgesteld op € 1.733,-. De teveel ontvangen voorschotten zorgtoeslag van € 383,-, kindgebondenbudget van € 191,- en de teveel ontvangen voorschotten huurtoeslag van € 687,- worden van eiseres teruggevorderd.
In het besluit van 2 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde (broer), aanwezig met een Skype-verbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 285,-.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Verweerder heeft aan bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het (gezamenlijke) toetsingsinkomen leidt tot recht op toeslagen, zoals dezen in het primaire besluit zijn vastgesteld. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat daarbij voor de periode van 1 januari 2019 tot 1 september 2019 de heer [persoon A] bij eiseres woonachtig is geweest en als toeslagpartner van eiseres is aangemerkt. Op grond van artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, onder o, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) volgt dat het toetsingsinkomen het inkomensgegeven is als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). In artikel 21, onderdeel e, van de Awr is bepaald wat onder inkomensgegeven wordt verstaan. Op grond hiervan dient verweerder het authentieke inkomensgegeven te gebruiken zoals dat is vastgesteld over een geheel berekeningsjaar in de Basisregistratie Inkomen. Het inkomensgegeven is vastgesteld over het laatst bepaalde verzamelinkomen van het kalenderjaar. Hierdoor is sprake van dwingend recht en dient verweerder over deze periode rekening te houden met het jaarinkomen van haar toeslagpartner de heer [persoon A] .
In het verweerschrift van 8 juli 2021 heeft verweerder aangegeven dat er ten onrechte geen belangenafweging ten aanzien van de terugvordering heeft plaatsgevonden, hetgeen in strijd is met het motiveringsbeginsel. Deze belangenafweging heeft in het verweerschrift alsnog plaatsgevonden. Hierbij is toegelicht dat op grond van het Verzamelbesluit niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waardoor (gedeeltelijk) van de terugvordering moet worden afgezien. Ten aanzien van de door eiseres gemelde financiële problemen is aangegeven dat eiseres om een betalingsregeling kan verzoeken.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Eiseres is van mening dat de wettelijke juridische grondslag ten onrechte niet is opgenomen in het bestreden besluit. Ten aanzien hiervan heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting van 21 juli 2021 toegelicht dat indien verweerder haar vragen in de bezwaarfase had beantwoord en een toelichting had gegeven, een beroepszaak voorkomen had kunnen worden. Ten aanzien van haar het standpunt dat verweerder ten onrechte bij de berekening het jaarinkomen van haar ex-partner heeft gebruikt, terwijl zij maar acht maanden heeft genoten van zijn inkomsten, is ter zitting door haar gemachtigde toegelicht dat verweerder juridisch juist gehandeld heeft. Eiseres heeft financiële problemen en gelet op haar gezondheidssituatie is verweerder uitdrukkelijk verzocht om geen contact met eiseres zelf, maar ook in het kader van een betalingsregeling contact met haar gemachtigde te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden de toeslagen over 2019 van eiseres en de hieruit voortvloeiende terugvorderingen, zoals deze in het primaire besluit zijn vastgesteld, heeft gehandhaafd.
De rechtbank volgt het standpunt dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen, doordat geen belangenafweging ten aanzien van de terugvordering heeft plaatsgevonden. Dit is met het verweerschrift hersteld. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waardoor (gedeeltelijk) van de terugvordering had moeten worden afgezien.
De rechtbank passeert dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Wel ziet de rechtbank in deze schending aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit de verzochte verletkosten van € 285,- voor drie uur van de gemachtigde van eiseres voor het bijwonen van de zitting van 21 juli 2021.
De rechtbank draagt verweerder op de door eiseres betaalde griffierecht van € 49,- aan haar te vergoeden.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021 door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier.
De griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen
Griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.