ECLI:NL:RBROT:2021:7847

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2021
Publicatiedatum
9 augustus 2021
Zaaknummer
C/10/619342 / JE RK 21-1461
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gezagsuitoefening voor aanmelding minderjarige bij onderwijsinstelling

De rechtbank Rotterdam behandelde op 25 juni 2021 een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verkrijgen met betrekking tot de aanmelding van een minderjarige bij een onderwijsinstelling. De minderjarige verblijft sinds juni 2020 bij pleegouders en heeft geen contact meer met haar moeder, die het inschrijfformulier voor de vervolgopleiding weigert te ondertekenen.

De kinderrechter stelde vast dat de relatie tussen de minderjarige en haar moeder ernstig verstoord is en dat de inschrijving noodzakelijk is voor de voortzetting van de schoolcarrière van de minderjarige, die inmiddels geslaagd is voor haar eindexamen en leerplichtig is. De moeder reageerde niet op pogingen tot contact en schriftelijke aanwijzingen van de GI.

Gezien het belang van de ontwikkeling van de minderjarige en de uitvoering van de ondertoezichtstelling, besloot de rechtbank de GI gedeeltelijk gezag te geven voor de aanmelding bij de onderwijsinstelling, zodat de minderjarige haar vervolgopleiding kan starten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.

Uitkomst: De rechtbank belast de gecertificeerde instelling met het gezag voor de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/619342 / JE RK 21-1461
datum uitspraak: 25 juni 2021

beschikking gedeeltelijke gezagsbelasting

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,
betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2004 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder],

[naam pleegvader],

hierna te noemen de pleegvader, wonende te [woonplaats pleegvader],

[naam pleegmoeder],

hierna te noemen de pleegmoeder, wonende te [woonplaats pleegmoeder].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 25 mei 2021, ingekomen bij de griffie op 31 mei 2021.
Op 25 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- [naam kind], die ook apart is gehoord,
- de pleegvader,
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam].
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de moeder.

De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft bij de pleegouders.
Bij beschikking van 11 september 2020 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot
4 oktober 2021. De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 januari 2021 ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot
4 oktober 2021.

Het verzoek

De GI verzoekt de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor de aanmelding van [naam kind] bij een onderwijsinstelling op grond van artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De GI heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is voor de ontwikkeling van [naam kind] van belang dat zij kan starten met haar vervolgopleiding. De GI heeft er alles aan gedaan om contact te krijgen met de moeder, maar de moeder weigert haar handtekening te zetten onder het inschrijfformulier.

De standpunten

[naam kind] heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat zij inmiddels geslaagd is voor haar eindexamen en in september graag wil starten met haar vervolgopleiding. Zij vindt het jammer dat een gang naar de rechter nodig is om de inschrijving voor de vervolgopleiding rond te krijgen.
De pleegvader heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek.

De beoordeling

Uit artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, BW volgt dat de kinderrechter kan bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de relatie tussen [naam kind] en de moeder ernstig is verstoord. [naam kind] verblijft sinds juni 2020 bij de pleegouders en zij heeft al langere tijd geen contact meer met de moeder. [naam kind] is inmiddels geslaagd voor haar eindexamen en is voornemens om komend studiejaar te starten met haar vervolgopleiding. Hiervoor is een inschrijving noodzakelijk, waarbij het aanmeldformulier getekend moet worden door de gezaghebbende ouder. De GI heeft contact opgenomen met de moeder, maar de moeder heeft aangegeven het aanmeldformulier niet te zullen tekenen. De GI heeft daarna geen reactie meer van de moeder ontvangen, ondanks een vooraankondiging en een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter is van mening dat [naam kind] hierdoor in haar schoolcarrière en verdere ontwikkeling wordt belemmerd. Daarbij komt dat [naam kind] thans nog leerplichtig is. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen zodat [naam kind] kan worden aangemeld bij de beoogde school en in september haar vervolgopleiding kan starten.
De kinderrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI (gedeeltelijk) wordt belast met het gezag over [naam kind] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling.

De beslissing

De kinderrechter:
belast de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Dordrecht, met het gezag over [naam kind] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2021 door mr. L. Amperse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 juli 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.