Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 12 april 2021, met producties;
- de brief van 19 april 2021 van mr. Smeets, met aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling gehouden op 20 april 2021.
Rechtbank Rotterdam
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2014 gescheiden. Ter verdeling van de huwelijksgemeenschap werd een concept-convenant opgesteld waarin de woning en aandelen aan de man werden toegedeeld onder voorwaarden. De vrouw tekende dit convenant niet. De man vorderde in kort geding dat de vrouw werd veroordeeld tot medewerking aan de levering van haar aandeel in de woning en de vennootschap.
De vrouw stelde dat zij niet gebonden was aan het concept-convenant omdat onduidelijk was op welke overeenkomst zij precies had ingestemd. De voormalige advocaat van de vrouw had weliswaar per e-mail aangegeven dat de vrouw akkoord was met verdere afwikkeling en bereid was tot ondertekening, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat deze verklaring onvoldoende duidelijkheid bood over welke overeenkomst werd bedoeld.
De voorzieningenrechter overwoog dat in kort geding alleen vooruitgelopen kan worden op een bodemuitspraak als het zeer waarschijnlijk is dat de vordering wordt toegewezen. Gezien de onduidelijkheid over de instemming van de vrouw kon niet zonder meer worden aangenomen dat zij gehouden was tot medewerking. Daarom werden de vorderingen afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vorderingen van de man worden afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de instemming van de vrouw met het concept-convenant.