ECLI:NL:RBROT:2021:7893

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
C/10/617145 / KG ZA 21-304
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot afgifte zorgadministratie in kort geding toegewezen

Eiseres, een wijkzorgverlener, vordert in kort geding dat gedaagde 2 en diens rechtsopvolger gedaagde 1 worden veroordeeld tot afgifte van zorgadministratie betreffende verleende zorg aan een cliënt in de periode januari tot augustus 2019. Gedaagde 2 heeft de zorgadministratie ondanks herhaalde verzoeken niet overgelegd, terwijl deze noodzakelijk is voor declaraties en onderzoek door zorgverzekeraar VGZ.

De voorzieningenrechter constateert dat gedaagde 2 buiten Nederland woont, maar dat de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege de plaats van contractsluiting en uitvoering. Gedaagde 2 en 1 verschijnen niet, waarna verstek wordt verleend. De vordering wordt gegrond bevonden omdat het bijhouden en verstrekken van zorgadministratie tot de zorgverlenersverplichtingen behoort.

De rechtbank veroordeelt gedaagde 2 c.s. tot afgifte van zorgindicaties, zorgplannen, werkroosters en dagrapporten binnen twee dagen na betekening, onder oplegging van een dwangsom van €1.500 per dag tot maximaal €45.000. Tevens worden zij hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde 2 c.s. worden veroordeeld tot afgifte van zorgadministratie met dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/617145 / KG ZA 21-304
Vonnis in kort geding van 18 mei 2021
in de zaak van
[eiseres]
handelend onder de naam: [handelsnaam] ,
wonende en zaakdoende te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Zaandam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats]
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] , Antwerpen, België,
gedaagden,
niet verschenen.
Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd. Gedaagden worden [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) en [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) en gezamenlijk [gedaagde 2] c.s. genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 29 april 2021, met producties;
  • de mondelinge behandeling gehouden op 4 mei 2021.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.

2..De feiten

2.1.
[eiseres] en [gedaagde 2] zijn wijkzorgverleensters. Tot 1 augustus 2019 verleende [gedaagde 2] wijkzorg als onder-dienstverlener van [eiseres] . [gedaagde 2] heeft haar activiteiten als wijkzorgverleenster per 1 juli 2019 ingebracht in [gedaagde 1] .
2.2.
[eiseres] werkt op haar beurt in onder-dienstverlening van Zusters aan Huis B.V. (hierna: Zusters aan Huis).
2.3.
In de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 juli 2019 heeft [gedaagde 2] als onder-dienstverlener van [eiseres] wijkzorg verleend aan [persoon A] .
2.4.
[persoon A] was voor deze zorg verzekerd bij VGZ. De kosten van de zorg zijn door [eiseres] , ten behoeve van [gedaagde 2] , bij VGZ gedeclareerd en door VGZ aan [eiseres] , ten behoeve van [gedaagde 2] , uitbetaald. Deze betaalmethodiek berust op enerzijds een machtiging en anderzijds op een onder-dienstverleningsrelatie.
2.5.
Bij brieven van 7 en 27 juli 2020 heeft mr. [gedaagde 2] namens [eiseres] de zorgadministratie van de door [gedaagde 2] verleende zorg aan [persoon A] opgevraagd. [gedaagde 2] heeft niet op deze verzoeken gereageerd.
2.6.
VGZ heeft bij Zusters aan Huis aangekondigd een onderzoek naar de in 2019 door Zusters aan Huis verleende zorg te willen instellen. Bij brief van 22 maart 2021 heeft VGZ Zusters aan Huis in dit kader verzocht om onder meer te berichten of alle zorgdossiers (bestaande uit de indicaties, de zorgplannen, de urenrealisatie en de dagrapportage) compleet zijn.
2.7.
Naar aanleiding van de brief van 22 maart 2021 van VGZ heeft Zusters aan Huis [eiseres] verzocht het dossier van de aan [persoon A] verleende zorg alsnog op orde te brengen. [gedaagde 2] is daarom bij brief van 6 april 2021 nogmaals gesommeerd de zorgadministratie over te leggen. [gedaagde 2] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

3..De vordering en de grondslag daarvan

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde 2] c.s. te veroordelen tot afgifte aan [eiseres] van de navolgende documenten, betrekking hebbende op de zorg, zoals [gedaagde 2] c.s. in de periode tussen
1 januari 2019 en 1 augustus 2019 hebben verleend aan [persoon A] :
de zorgindicatie(s);
het zorgplan of plannen;
de werkroosters
alle dagrapporten over de gehele voornoemde periode;
2. zulks op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 met een maximum van € 45.000,00, daarbij te verstaan dat de dwangsom tegen elk van [gedaagde 2] c.s. ten uitvoer kan worden gelegd, des dat hetgeen aan dwangsom door de één wordt betaald ook jegens de ander in mindering op het verschuldigde strekt;
3. [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk te veroordelen in proceskosten en de nakosten.
3.2.
[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar vordering dat het bijhouden van een volledige zorgadministratie met betrekking tot elke cliënt ten behoeve van wie wordt gedeclareerd behoort tot de verantwoordelijkheid van een zorgverlener jegens de zorgverzekeraar. Tot de zorgadministratie behoren onder meer de zorgindicatie, het zorgplan, het werkrooster en de dagrapporten waarin de daadwerkelijke verleende zorg van dag tot dag wordt bijgehouden. [gedaagde 2] weigert de zorgadministratie over te leggen waardoor zij verwijtbaar te kort schiet jegens [eiseres] . Voor zover [gedaagde 2] haar zorgactiviteiten in [gedaagde 1] heeft ingebracht is de verplichting tot het bijhouden en verstrekken van de administratie ook op [gedaagde 1] overgegaan. Als rechtsopvolger van [gedaagde 2] schiet [gedaagde 1] eveneens jegens [eiseres] verwijtbaar te kort.

4..De beoordeling

4.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagde 2] c.s. verstek wordt verleend.
4.2.
Nu [gedaagde 2] haar woonplaats buiten Nederland heeft, dient de voorzieningenrechter ambtshalve haar bevoegdheid ten aanzien van het geschil jegens [gedaagde 2] te beoordelen. [eiseres] baseert haar vorderingen op de verbintenis tot onder-dienstverlening die tussen haar en [gedaagde 2] is gesloten.
4.3.
Aangezien de verbintenis uit de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 2] , die aan de vordering ten grondslag ligt, in Nederland is gesloten en in Nederland is uitgevoerd heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 Rv Pro rechtsmacht. De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om van dit geschil kennis te nemen
4.4.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt als volgt toegewezen.
4.5.
[gedaagde 2] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- betekening oproeping € 803,20 (inclusief de betekeningskosten in het buitenland)
- griffierecht € 309,00
- salaris advocaat
€ 656,00
Totaal € 1.768,20
4.6.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten worden dan ook toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5..De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagden, [gedaagde 2] c.s.,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] c.s. tot afgifte binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] van de navolgende documenten, betrekking hebbende op de zorg, zoals [gedaagde 2] c.s. in de periode tussen 1 januari 2019 en 1 augustus 2019 hebben verleend aan [persoon A] :
de zorgindicatie(s);
het zorgplan of plannen;
de werkroosters
alle dagrapporten over de gehele voornoemde periode,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 45.000,00 is bereikt,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 1.768,20,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 2] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.
2180/2009