De rechtbank Rotterdam behandelde op 19 juli 2021 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van een kind, geboren in 2014, vanwege een kwetsbare omgangssituatie tussen de ouders. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar het kind woont bij de moeder. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot juni 2021 en is inmiddels verlopen.
De Raad verzocht verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden omdat de ouders nog niet zelfstandig de omgang kunnen uitvoeren door het ontbreken van vertrouwen en direct contact. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond steunde dit verzoek. De moeder werkt mee aan de opbouw van de omgang, maar wil geen direct contact met de vader vanwege eerdere verdenkingen die na onderzoek ongegrond bleken. De vader hecht aan de ondertoezichtstelling vanwege zekerheid en informatie.
De kinderrechter constateerde een prille positieve, maar kwetsbare ontwikkeling in de omgang tussen kind en vader. Het wederzijds wantrouwen tussen ouders blijft groot en communicatie verloopt via derden. Daarom is het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om het proces te begeleiden. Gezien deze omstandigheden is de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden gerechtvaardigd.
De beschikking werd mondeling uitgesproken door kinderrechter J. van Driel en schriftelijk vastgesteld op 28 juli 2021. Het kind wordt onder toezicht gesteld van 19 juli 2021 tot 19 juli 2022. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak, via het gerechtshof Den Haag.