Partijen zijn in 2017 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2019 gescheiden. De eiseres vordert vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksvermogensgemeenschap, waarin zij stelt dat de boedel enkel uit schulden aan de Belastingdienst bestaat. De gedaagde voert verweer en betwist de omvang van de schulden en de redelijkheid van de vordering.
De rechtbank stelt vast dat het Nederlandse huwelijksvermogensrecht van toepassing is en dat de peildatum voor de verdeling 19 november 2018 is, de datum van het echtscheidingsverzoek. De schuld bestaat uit terugvorderingen van toeslagen over de huwelijkse periode, die gemeenschappelijk zijn. De rechtbank corrigeert het gevorderde bedrag en stelt de schuld vast op €16.073, waarvan de helft aan de eiseres toekomt.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van het vonnis. De vordering van de gedaagde tot verrekening van een kredietschuld wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.