ECLI:NL:RBROT:2021:8156

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 augustus 2021
Publicatiedatum
19 augustus 2021
Zaaknummer
C/10/616216 / HA ZA 21-304
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens beroepsfout notaris bij huwelijksvoorwaarden

De zaak betreft een vordering van een man tegen een notariskantoor en betrokken notarissen wegens een beroepsfout bij het opstellen van huwelijksvoorwaarden tijdens zijn huwelijk. De man en zijn ex-echtgenote waren oorspronkelijk gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Tijdens het huwelijk werd deze gemeenschap omgezet in koude uitsluiting, waarbij het ondernemingsvermogen aan de man werd toegedeeld. De vrouw stelde later succesvol beroep op dwaling bij de echtscheiding, waardoor de huwelijksvoorwaarden werden vernietigd en de verdeling plaatsvond op basis van gemeenschap van goederen.

De man vorderde vervolgens schadevergoeding van de notaris wegens de beroepsfout en het onrechtmatig handelen. De rechtbank stelde vast dat de notaris inderdaad tekort was geschoten in de voorlichting aan de vrouw over de gevolgen van de huwelijksvoorwaarden. Echter, de rechtbank oordeelde dat er geen causaal verband bestond tussen deze fout en de door de man gestelde schade. Het was aannemelijk dat de vrouw bij juiste voorlichting niet zou hebben ingestemd met de koude uitsluiting.

De rechtbank wees de vordering van de man af en veroordeelde hem in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de notaris werden begroot op €10.628,00, met bijkomende rente en nakosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J.P. van Essen op 18 augustus 2021.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens beroepsfout notaris wordt afgewezen wegens ontbreken causaal verband.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/616216 / HA ZA 21-304
Vonnis van 18 augustus 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. J.G. Wiebes te Lelystad,
tegen

1..[naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,
2. de maatschap
[naam gedaagde 2],
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 2] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TABELLIO B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SEFÈR B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. T. Riyazi te 's-Gravenhage.
Eiser zal hierna [naam eiser] worden genoemd, gedaagde sub 1 zal [naam gedaagde 1] worden genoemd, en de gedaagden gezamenlijk [naam gedaagden]

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 28 juli 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2..De feiten

2.1.
[naam eiser] is op 28 juni 2008 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd
met [naam 1] , hierna: [naam 1] .
2.2.
[naam gedaagden] oefent de notarispraktijk uit te Rotterdam.
2.3.
Op 27 april 2011 hebben [naam eiser] en [naam 1] op het kantoor van [naam gedaagden] met [naam gedaagde 2] en een kandidaat-notaris een bespreking gehad over alsnog tijdens hun huwelijk op te stellen huwelijksvoorwaarden.
2.4.
Op 28 juni 2011 is de akte houdende huwelijksvoorwaarden en verdeling van de huwelijksvermogensgemeenschap tussen [naam eiser] en [naam 1] verleden ten overstaan van [naam gedaagde 2] . Deze akte houdt een volledige uitsluiting van elke gemeenschap van goederen in, met toebedeling aan [naam eiser] van zijn gehele belang in zijn onderneming.
2.5.
Op het verzoek van [naam eiser] van 6 november 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding tussen [naam eiser] en [naam 1] uitgesproken.
2.6.
De notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het hof te Amsterdam heeft op
25 augustus 2015 in hoger beroep op de klacht van [naam 1] tegen [naam gedaagde 2] en de kandidaat-notaris geoordeeld dat beiden jegens [naam 1] zijn tekortgeschoten door onvoldoende voorlichting te geven over de vermogensrechtelijke gevolgen die de besproken huwelijksvoorwaarden voor [naam 1] zouden hebben.
2.7.
Op 4 januari 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland, bij de beoordeling van de verzoeken tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [naam eiser] en [naam 1] , het beroep van [naam 1] op dwaling bij het aangaan van de huwelijksvoorwaarden gehonoreerd. De rechtbank heeft de huwelijksvoorwaarden vernietigd, en geoordeeld dat tussen [naam eiser] en [naam 1] een verdeling op basis van gemeenschap van goederen moet plaatsvinden.
2.8.
Op 17 juli 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [naam eiser] en [naam 2] bevolen, en [naam eiser] wegens overbedeling veroordeeld aan [naam 2] te betalen een bedrag van € 632.228,40.
2.9.
Op 10 juni 2020 heeft de advocaat van [naam eiser] [naam gedaagden] schriftelijk bericht dat
[naam gedaagden] aansprakelijk wordt gehouden voor de schade die [naam eiser] als gevolg van de beroepsfout en daarmee onrechtmatig handelen van [naam gedaagden] heeft geleden.
2.10.
In antwoord daarop heeft Nationale-Nederlanden, de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar van [naam gedaagden] , op 26 juni 2020 aan de advocaat van [naam eiser] bericht dat een beroep op verjaring wordt gedaan en dat aansprakelijkheid wordt afgewezen omdat [naam eiser] geen schade zou hebben geleden als gevolg van de fout van [naam gedaagden]

3..Het geschil

3.1.
[naam eiser] vordert onder I. een verklaring voor recht:
primair
dat [naam gedaagden] door de beroepsfout van [naam gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel ieder voor zich onrechtmatig hebben gehandeld in de nakoming van de opdracht jegens eiser dan wel wanprestatie hebben geleverd en verplicht is/zijn de schade te vergoeden die eiser heeft geleden en nog zal lijden;
subsidiair
dat [naam gedaagden] hoofdelijk, dan wel ieder voor zich tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen en in verzuim is/zijn, waardoor zij als maat verplicht zijn de
schade te vergoeden die eiser heeft geleden en nog zal lijden,
met onder II tot en met VII samengevat - de vordering tot hoofdelijke veroordeling van [naam gedaagden] tot betaling van € 632.228,40 in hoofdsom en € 6.380,62 ter zake van kosten van rechtsbijstand in de echtscheidingsprocedure, en € 12.832,06 aan kosten van de in die procedure inschakelde deskundige, een en ander vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[naam gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [naam eiser] in de kosten van het geding.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4..De beoordeling

Beroepsfout, aansprakelijkheid

4.1.
Vaststaat dat [naam gedaagde 2] en de kandidaat-notaris een beroepsfout hebben gemaakt doordat zij bij de bespreking van te sluiten huwelijksvoorwaarden zijn tekortgeschoten in de voorlichting over de vermogensrechtelijke gevolgen van die huwelijksvoorwaarden voor [naam 1] . Ook staat vast dat [naam gedaagden] aansprakelijk zijn voor schade die [naam eiser] als gevolg van die beroepsfout heeft geleden of nog zal lijden.
Causaliteit
4.2.
Beoordeeld moet worden of de schade die [naam eiser] stelt te hebben geleden het gevolg is van die beroepsfout.
4.3.
[naam eiser] meent dat dat inderdaad het geval is, omdat hij nu, als gevolg van de vernietiging van de huwelijksvoorwaarden, met zijn ex-echtgenote niet op grond van een koude uitsluiting moet afrekenen, maar op basis van algehele gemeenschap van goederen.
4.4.
[naam gedaagden] heeft gemotiveerd weersproken dat de schade die [naam eiser] stelt te hebben geleden het gevolg is van de beroepsfout, omdat bij een juiste voorlichting geen huwelijksvoorwaarden met een koude uitsluiting tot stand zouden zijn gekomen.
4.5.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de schade waarvan [naam eiser] vergoeding vordert niet het gevolg is van de beroepsfout van de notaris.
4.6.
Het is namelijk aannemelijk dat [naam 1] bij een juiste voorlichting niet zou hebben ingestemd met omzetting van de bestaande algehele gemeenschap van goederen in een zo goed als het gehele vermogen omvattende koude uitsluiting. Dat blijkt wel uit de overwegingen van de rechtbank en het hof die moesten oordelen over het beroep op dwaling bij de totstandkoming van de huwelijksvoorwaarden met die koude uitsluiting.
4.7.
Bij de mondelinge behandeling in deze zaak is daaraan namens [naam eiser] nog toegevoegd dat er dan in ieder geval andere huwelijksvoorwaarden tot stand zouden zijn gekomen, met een voor [naam eiser] gunstige inhoud. Feitelijke aanknopingspunten daarvoor, en voor de vorm waarin deze dan mogelijk zouden zijn overeengekomen, zijn echter niet gegeven. De rechtbank laat dat punt daarom rusten.
Conclusies
4.8.
De conclusie moet dan ook zijn dat de beroepsfout die aan [naam gedaagden] kan worden toegerekend niet heeft geleid tot de door [naam eiser] gestelde schade. De vorderingen tot vergoeding van die schade moeten daarom worden afgewezen.
4.9.
[naam eiser] heeft geen zelfstandig belang bij de gevorderde verklaringen voor recht, zodat ook deze vorderingen zullen worden afgewezen.
4.10.
Al hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.
4.11.
[naam eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 4.200,00
- salaris advocaat €
6.428,00(2,0 punt × tarief € 3.214,00)
Totaal € 10.628,00
4.12.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5..De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagden] tot op heden begroot op € 10.628,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [naam eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Haji niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.
196/1729