Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring woningzoekende bij de gemeente Rotterdam, welke niet werd doorgezonden naar de bevoegde Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR). Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting, gehouden in het kader van het project Wijkrechtspraak op Zuid, werd vastgesteld dat verzoekster inmiddels rechtstreeks een aanvraag bij SUWR had ingediend en dat een besluit hierover spoedig zou volgen. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang voor de huidige voorziening, wat leidde tot afwijzing van het verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de gemeente onterecht had nagelaten de aanvraag door te zenden, zoals vereist is volgens artikel 2:3 Awb Pro. Ondanks het argument van verweerder dat aanvragers via een tussenpersoon onterecht aanvragen indienden, werd dit standpunt verworpen.
Daarom werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht van €181,- en tot betaling van proceskosten van €1.496,- aan verzoeksters gemachtigde, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.P. Hameete op 29 juli 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar verweerder moet griffierecht en proceskosten vergoeden.