ECLI:NL:RBROT:2021:8268

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
ROT 20/3316
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 Apv Rotterdam 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen sluiting winkelpand en vergunningplicht op grond van Opiumwet en Apv

Eiseres is eigenaar van een winkelpand in Rotterdam dat op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten vanwege de aanwezigheid van stoffen en goederen die worden gebruikt voor de productie van harddrugs. Na eerdere sluiting in 2018 volgde in 2019 een nieuwe doorzoeking waarbij opnieuw dergelijke middelen werden aangetroffen. Verweerder, de burgemeester van Rotterdam, heeft daarop het pand voor negen maanden gesloten en het pand vergunningplichtig verklaard op grond van de Algemene plaatselijke verordening (Apv).

Eiseres betwist de duur van de sluiting en de bevoegdheid tot het opleggen van een vergunningplicht. Zij voert aan dat er geen sprake is van recidive, dat het eerdere besluit niet geëffectueerd is en dat de vergunningplicht niet voldoende is gemotiveerd en niet in de beleidslijn is opgenomen. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en vergunningplicht, dat de eerdere sluiting meegewogen mocht worden bij de duur van de sluiting en dat de vergunningplicht gerechtvaardigd is ter bescherming van de leefbaarheid en openbare orde.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de sluiting van negen maanden en de vergunningplicht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van het winkelpand en de vergunningplicht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3316

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] ( [naam winkel] ), te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Moghni,
en

de burgemeester van Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman en mr. M.J. Kooistra.
Als derde-partij is aangemerkt:
[naam pandeigenaar], pandeigenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting van het pand aan de [adres] te Rotterdam voor de duur van negen maanden bevolen. Verweerder heeft voornoemd pand daarnaast op grond van artikel 2:36 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (Apv) aangewezen als vergunningplichtig.
Bij besluit van 17 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2021. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De derde-partij is niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.1.
Eiseres is eigenaar van de in het bedrijfspand (hierna: het pand) aan de [adres] te Rotterdam gevestigde winkel ‘ [naam winkel] ’. Bij besluit van 18 mei 2018 heeft verweerder de sluiting van het pand op grond van artikel 2:35 van Pro de Apv bevolen voor de duur van drie maanden omdat in het pand benodigdheden voor de verwerking en de productie van verdovende middelen zijn aangetroffen.
1.2.
Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie van 1 oktober 2019 zijn op 15 mei 2019 twee mannen gecontroleerd in verband met mogelijke handel in verdovende middelen. Omdat deze mannen hebben verklaard goederen gekocht te hebben in de winkel van eiseres, heeft in het pand een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking zijn producten aangetroffen die gebruikt worden bij het vervaardigen, bewerken en verpakken van harddrugs (onder andere paracetamol, inositol, mannitol, levamisol, fenacetine, cafeïne, tetramisol, lidocaïne en boorzuur). Daarnaast zijn er ook diverse goederen die worden gebruikt om harddrugs te kunnen bereiden, verwerken en te verpakken (onder andere weegschalen, vacumeermachines, blikjes met verborgen ruimte, onderdelen van drugspersen, gripzakken, geldtelmachines, vacumeerzakken, tape, folie en zeven), aangetroffen.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in het pand grote hoeveelheden stoffen en goederen zijn aangetroffen die, in hun onderlinge samenhang bezien, worden gebruikt voor de bereiding, bewerking en verpakking van harddrugs. Een sluiting van meer dan zes maanden is noodzakelijk gelet op het feit dat ook in 2018 al de sluiting van het pand is bevolen. Verweerder heeft de vergunningplicht opgelegd om een bijdrage te leveren aan een veilig ondernemersklimaat op de [straatnaam] en om het woon- en leefklimaat te beschermen en te verbeteren.
3. Eiseres heeft het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van recidive, zodat de afwijking van de in het beleid opgenomen termijn van zes maanden onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit van 18 mei 2018 is nooit geëffectueerd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het primaire besluit destijds geschorst in afwachting van de beslissing op bezwaar. Het was eiseres daarom niet duidelijk dat zij iets strafbaars deed. Verweerder was niet bevoegd een vergunningplicht op te leggen nu deze bevoegdheid onvoldoende concreet uit artikel 149 van Pro de Gemeentewet blijkt. Verder volgt uit de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2019 (de Beleidslijn) niet dat een vergunningplicht wordt opgelegd op het moment dat de situatie van artikel 13b Opiumwet aan de orde is. Het opleggen van een vergunningplicht staat haaks op en is tegenstrijdig aan handhaving op grond van artikel 13b Opiumwet. Na de periode van de sluiting zou geen sprake meer moeten zijn van omstandigheden die nopen tot bescherming van de openbare orde.
Sluiting
4.1.
Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Op grond van artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3, van de Opiumwet wordt hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet wordt hij die opzettelijk handelt in strijd met het in artikel 2 onder Pro B of D, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 2, onder B, van de Opiumwet bepaalt dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.
4.2.
.Op 1 januari 2019 is de tekst van artikel 13b van de Opiumwet gewijzigd en is de bevoegdheid opgenomen dat burgemeesters ook woningen en andere panden kunnen sluiten als er voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs (Stb. 2018, 481). Bij de verruiming van artikel 13b van de Opiumwet gaat het om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning, lokaal of erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Uit de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstuk 34 763, nr. 3) kan worden opgemaakt dat de situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Dat vergt volgens de MvT een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals door de politie vastgesteld.
Op grond van de Beleidslijn wordt bij een sluiting van een lokaal in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden. Indien binnen drie jaar in hetzelfde pand opnieuw sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet, wordt het pand in beginsel gesloten voor twaalf maanden. Verder volgt uit de Beleidslijn dat, indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, de burgemeester kan besluiten tot een sluiting van maximaal twaalf maanden.
4.3.
Eiseres betwist niet dat verweerder bevoegd was tot sluiting van het pand en dat deze sluiting noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand en het herstel van de openbare orde. Eiseres bestrijdt, voor wat betreft de sluiting, uitsluitend de duur van negen maanden.
4.4.
Dit betoog van eiseres faalt. Verweerder heeft de sluitingsduur van negen maanden voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft in redelijkheid van belang kunnen achten dat eerder soortgelijke stoffen en goederen zijn aangetroffen en dat om die reden bij besluit van 18 mei 2018 de sluiting van het pand is bevolen. Weliswaar is geen sprake van recidive in de zin van de Beleidslijn omdat het besluit van 18 mei 2018 niet op de Opiumwet was gebaseerd, maar dit betekent niet dat verweerder dit besluit niet heeft mogen meewegen in het kader van de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat, omdat het pand feitelijk open is gebleven, zij niet wist dat zij de aangetroffen stoffen en goederen niet mocht verkopen. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat, zoals verweerder onbestreden heeft verklaard, het bezwaar van eiseres destijds ongegrond is verklaard en eiseres hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. De beslissing op bezwaar is dus in rechte komen vast te staan. Eiseres was in zoverre dus wel degelijk gewaarschuwd.
Vergunningplicht
5.1.
Op grond van artikel 2:36, tweede lid van de Apv kan de burgemeester gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
Op grond van het derde lid is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
5.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat artikel 149 van Pro de Gemeentewet niet een voldoende concrete grondslag voor het opleggen van een vergunningplicht zou bevatten. In deze bepaling wordt immers aan de gemeenteraad de bevoegdheid gegeven om verordeningen te maken die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. Hieronder kan ook een vergunningstelsel vallen. Ook de omstandigheden dat het pand al op grond van de Opiumwet is gesloten en dat in de in de Beleidslijn niets over de vergunningplicht is vermeld, staan naar het oordeel van de rechtbank niet aan het opleggen van de vergunningplicht in de weg. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, is de vergunningplicht bedoeld om problemen met de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid in de toekomst te voorkomen. Ook na een periode van sluiting kan aan deze maatregel behoefte bestaan. De rechtbank oordeelt dat verweerder het pand in redelijkheid als vergunningplichtig heeft kunnen aanwijzen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de leefbaarheid en/of de openbare orde en veiligheid in of rondom het pand onder druk staat.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 juli 2021.
de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.