De politierechter legde op 7 oktober 2019 een taakstraf van 60 uren op, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een vervangende hechtenis van 29 dagen bij niet-naleving. Het Openbaar Ministerie besloot op 30 april 2021 tot toepassing van vervangende hechtenis en betekende dit op 12 juni 2021 aan het postadres van de veroordeelde, waar zij feitelijk niet woonde.
De veroordeelde diende op 7 juli 2021 bezwaar in tegen deze kennisgeving, stellende dat zij pas op 1 juli 2021 de post bij het Leger des Heils had opgehaald, waar zij tijdelijk was ingeschreven vanwege geen vaste woonplaats. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar verschoonbaar te laat was ingediend, maar daardoor toch ontvankelijk.
De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde slechts 4 uren taakstraf had uitgevoerd en daarna ongeoorloofd afwezig was, mede door Covid-19 verstoringen. De officier van justitie erkende de ontvankelijkheid en achtte het bezwaar gegrond vanwege positieve ontwikkelingen in het leven van de veroordeelde en haar begeleiding.
De rechtbank besloot het bevel tot vervangende hechtenis van 12 dagen te laten vervallen, het resterende aantal taakstrafurren te bepalen op 24 uren en de termijn voor voltooiing met 12 maanden te verlengen. Hiermee krijgt de veroordeelde de kans om de taakstraf alsnog te voltooien onder verbeterde omstandigheden.