In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat gedaagden hem de benedenwoning ter beschikking stellen en zijn inboedel teruggeven, nadat hij zich op het standpunt stelde dat een huurovereenkomst was gesloten. De kantonrechter stelt vast dat partijen weliswaar overeenstemming bereikten over de essentialia van de huurovereenkomst, maar dat door onenigheid over de verhuisdatum geen overeenkomst tot stand is gekomen.
Eiser heeft zich in de periode daarna op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met betrekking tot de bovenwoning voortduurde en heeft zelfs een verzoek tot huurverlaging ingediend. Gedaagden hebben eiser tot 31 juli 2021 de tijd gegeven om een nieuwe woonruimte te zoeken. Toen eiser de bovenwoning niet ontruimde, heeft gedaagde eigenhandig ontruimd en de inboedel elders opgeslagen zonder mededeling van de locatie.
De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure een huurovereenkomst voor de benedenwoning is gesloten, waardoor de vordering tot terbeschikkingstelling wordt afgewezen. Ook de vordering tot terugplaatsing van de inboedel in de benedenwoning wordt afgewezen, omdat die woning niet ter beschikking wordt gesteld. Wel wordt erkend dat de ontruiming onrechtmatig was en wordt partijen geadviseerd in der minne tot een oplossing te komen.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken op 23 augustus 2021.