Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de gemeente Rotterdam te bevelen mee te werken aan een aangeboden schuldregeling. De gemeente weigerde mee te werken vanwege een vordering die volgens haar niet te goeder trouw was ontstaan en verwees naar artikel 60c Participatiewet.
De rechtbank overwoog dat hoewel schuldeisers in beginsel recht hebben op volledige betaling, de belangenafweging in deze zaak het verzoek van verzoeker ondersteunt. Drie van de vier schuldeisers stemden in met het akkoord, dat door een onafhankelijke partij was getoetst en goed gedocumenteerd was. Verzoeker beschikt niet over betaald werk en is ontheven van sollicitatieplicht tot februari 2022.
De rechtbank concludeerde dat het akkoord een gunstiger resultaat biedt dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die hogere kosten met zich meebrengt en minder oplevert voor schuldeisers. Daarom werd de gemeente Rotterdam bevolen in te stemmen met het akkoord. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.