ECLI:NL:RBROT:2021:8604
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.C.W. van der Feltz
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid beroep en vaststelling WOZ-waarde appartement in Rotterdam
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement te Rotterdam, welke door verweerder is vastgesteld op €116.000,- voor het belastingjaar 2019. De uitspraak op bezwaar werd aanvankelijk niet aan de gemachtigde van eiser verzonden, wat volgens eiser een schending van artikel 6:17 Awb Pro opleverde en de beroepstermijn deed aanvang nemen op 4 juni 2020. Verweerder stelde dat de uitspraak op juiste wijze aan eiser was bekendgemaakt en dat het beroep te laat was ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar weliswaar via de DigiD van eiser is ingediend, maar dat uit de bijgevoegde brief en het mailadres bleek dat eiser werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. Verweerder had daarom om een volmacht moeten vragen en de uitspraak ook aan de gemachtigde moeten sturen. Door dit na te laten is artikel 6:17 Awb Pro geschonden, waardoor de beroepstermijn pas op 5 juni 2020 is gaan lopen en het beroep tijdig is ingediend.
Inhoudelijk stelt eiser dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, mede vanwege de ligging in een buurt met veel criminaliteit. Verweerder baseert de waardering op een eigen aankoopprijs van €115.000,- en vergelijkingsobjecten in dezelfde wijk. De rechtbank volgt verweerder en acht de waarde niet te hoog vastgesteld, omdat de verkoopprijs marktconform is en het waardedrukkend effect van de buurt reeds in de vergelijkingscijfers is verwerkt.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk maar ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep is ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond verklaard; de WOZ-waarde is niet te hoog vastgesteld.