Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan 23 schuldeisers, waaronder de gemeente Rotterdam, die als enige schuldeiser niet instemde met het akkoord. De regeling voorziet in een betaling van 8,81% aan preferente en 4,4% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die momenteel een Participatiewet-uitkering ontvangt.
De gemeente Rotterdam weigerde mee te werken aan de schuldregeling vanwege toepassing van artikel 60c Participatiewet en het niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht door verzoeker. De rechtbank weegt het belang van de gemeente tegen dat van verzoeker en de overige schuldeisers die instemden met het akkoord.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot dwangakkoord toewijsbaar is omdat het akkoord goed onderbouwd is, een ruime meerderheid van schuldeisers instemt, en de regeling een beter resultaat biedt dan een schuldsaneringsregeling. De gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten, het subsidiaire verzoek tot schuldsanering wordt afgewezen en het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming.