ECLI:NL:RBROT:2021:8627

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 augustus 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
FT RK 21-753
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 lid 1 BWArt. 2:19 lid 4 BWArt. 16 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken baten en advies tot turboliquidatie

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam 1] heeft op eigen aangifte een verzoek tot faillietverklaring ingediend. Tijdens de zitting is gebleken dat de onderneming is gestopt met haar activiteiten, geen debiteuren, onroerende zaken of personeel heeft en geen baten verwacht kunnen worden. De rechtbank heeft aangeefster verzocht de mogelijkheid van ontbinding via turboliquidatie te onderzoeken.

Na meerdere aanhoudingen en communicatie over de voortgang van dit onderzoek heeft aangeefster de benodigde documenten aan de Kamer van Koophandel verzonden. De rechtbank concludeert dat ondanks het voldoen aan de formele faillissementseisen, het ontbreken van baten betekent dat een curator het faillissement snel zal voordragen tot opheffing, wat leidt tot extra schuldenlast.

Daarom is het belang van aangeefster bij faillietverklaring onvoldoende. De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk en adviseert ontbinding via artikel 2:19 lid 4 BW Pro, waarbij de vennootschap ophoudt te bestaan zonder baten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken van baten en wordt geadviseerd tot ontbinding via turboliquidatie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Uitspraakdatum: 31 augustus 2021
Rekestnummer: [Nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam 1] ,
statutair gevestigd te [plaats 1] ,
kantoorhoudende aan de [adres] ,
[postcode] [plaats 2] ,
aangeefster,
strekkende tot haar (op eigen aangifte) faillietverklaring.

1.De procedure

Op 16 juni 2021 heeft aangeefster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot (op eigen aangifte) faillietverklaring ingediend.
Op 22 juni 2021 zijn aangeefster, bij monde van (middellijk) bestuurder [naam 2] en zijn partner mevrouw [naam 3] , in raadkamer gehoord. Daarbij is aan de orde gekomen dat, gezien het ontbreken van baten, aangeefster zal onderzoeken of zij de vennootschap kan ontbinden op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW Pro (de zogenaamde turbo-liquidatie). Afgesproken is dat de uitspraak om die reden wordt aangehouden.
Op 14 juli 2021 heeft aangeefster de griffier telefonisch bericht dat die mogelijkheid nog steeds in onderzoek is.
Op 14 juli 2021 heeft de rechtbank per e-mailbericht aan aangeefster bericht de uitspraak nader aan te houden, waarbij aangeefster tot 17 augustus 2021 in de gelegenheid is gesteld de mogelijkheden van een turbo-liquidatie door aangeefster te laten onderzoeken en dat, als het verzoek niet wordt ingetrokken, op 24 augustus 2021 uitspraak zal worden gedaan.
Op 19 augustus 2021 heeft aangeefster per e-mailbericht aan de griffier bericht dat de benodigde documentatie teneinde de vennootschap te kunnen ontbinden is verzonden aan de Kamer van Koophandel.
Op 20 augustus 2021 heeft de rechtbank per e-mailbericht aan aangeefster bericht de uitspraak nader aan te houden, waarbij aangeefster tot 27 augustus 2021 in de gelegenheid is gesteld de stand van zaken daaromtrent te melden en voorts is bericht dat, als het verzoek niet wordt ingetrokken, op 31 augustus 2021 uitspraak zal worden gedaan.
Van verzoekster is geen nader bericht ontvangen.

2.De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, alsmede het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat aangeefster verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. In zoverre is voldaan aan de in de Faillissementswet gestelde eisen om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. Dat neemt evenwel niet weg dat het faillissement strekt tot vereffening van het vermogen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en dat daarom tevens van belang is of sprake is van vermogen.
De bestuurder heeft in dit verband, in aanvulling op de ‘verklaring eigen aangifte’ verklaard dat de onderneming niet over enige bate beschikt. Er is geen sprake van debiteuren, er zijn geen (on)roerende zaken, er is geen sprake is van een bedrijfspand of personeel, en de bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels geruime tijd gestaakt. Evenmin zijn er, gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, op dit moment aanwijzingen dat andere baten te verwachten zijn (bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder).
Er is derhalve naar verwachting geen te executeren vermogen. Dat, gevoegd bij het feit dat gesteld noch gebleken is dat belangen van derden (zoals werknemers) betrokken zijn, betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Fw Pro zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing. Aangeefster zal dan door die opheffing worden ontbonden (artikel 2:19, eerste lid sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). In dat geval zal de schuldenlast van aangeefster alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator.
Daar staat tegenover dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW Pro kan worden ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW Pro houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Het is vervolgens aan (een van) de crediteuren om - in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring - aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen.
Onder deze omstandigheden heeft aangeefster onvoldoende belang bij het verzoek tot faillietverklaring.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [naam 1] niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is op 31 augustus 2021 gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mulder, griffier. [1]