Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. De gemeente Rotterdam weigerde mee te werken vanwege een boete- of fraudevordering waarop zij zich baseerde op artikel 60c Participatiewet.
De rechtbank oordeelde dat hoewel schuldeisers in beginsel recht hebben op volledige betaling, de belangenafweging in dit geval de verzoekster en de overige schuldeisers beschermt. Acht van de negen schuldeisers stemden in met het akkoord, dat was getoetst door een onafhankelijke partij en gebaseerd was op de NVVK-norm.
Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en is wegens psychische klachten ontheven van sollicitatieverplichtingen. De rechtbank achtte het voorstel het uiterste wat zij kon bieden en vond dat de belangen van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van de gemeente.
De rechtbank wees het verzoek toe, stelde de gemeente in het ongelijk en veroordeelde haar in de proceskosten. Tevens werd het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen omdat het dwangakkoord een gunstiger resultaat biedt voor schuldeisers.