Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- de heer [naam 3] , werkzaam bij het Expertise Team Financiën van de gemeente Rotterdam.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b van de Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen bij vonnis van 14 september 2018 vanwege huurachterstand. Verweerster, de verhuurder, heeft een verweerschrift ingediend waarin zij stelt dat de huurachterstand is toegenomen en dat verzoekster herhaaldelijk te laat of niet heeft betaald.
De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat een exploot tot ontruiming is betekend en de ontruiming gepland stond. De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de betalingen van de afgelopen maanden acht de rechtbank aannemelijk dat de lopende termijnen zullen worden voldaan.
Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor de duur van zes maanden, met als voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. De voorziening geldt onder meer dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengt aan de rechtbank.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.