Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:8741

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 augustus 2021
Publicatiedatum
7 september 2021
Zaaknummer
10/321599-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 167a SvArt. 342 SvArt. 247 SrArt. 248 lid 2 SrArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde op 26 augustus 2021 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige in 2017. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 maanden. De verdediging stelde dat de officier van justitie niet ontvankelijk was vanwege schending van het hoorrecht van het slachtoffer, maar dit werd verworpen omdat het slachtoffer destijds jonger dan 12 jaar was.

De bewijsvoering bestond uit een geluidsopname van een gesprek tussen verdachte en een getuige, waarin verdachte zou hebben toegegeven de minderjarige te hebben betast en gezoend. De moeder van het slachtoffer had na het horen van deze opname met haar zoon gesproken, maar de inhoud en omstandigheden van dit gesprek bleven onduidelijk. De verklaring van de moeder was een de-auditu verklaring en bood onvoldoende steun aan de getuigenverklaring.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet voldeed aan het wettig en overtuigend bewijsminimum zoals vereist bij zedenzaken, mede door het ontbreken van directe verklaringen van het slachtoffer en de onduidelijkheid over de totstandkoming van diens verklaring. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.

De benadeelde partij vorderde een immateriële schadevergoeding van €17.500, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel tegen verdachte was opgelegd. De voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij de voorzitter en de jongste rechter niet konden ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen met een minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/321599-20
Datum uitspraak: 26 augustus 2021
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] ,
Raadsvrouw mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 augustus 2021.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest;

4..Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat het hoorrecht ex artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering (
hierna: Sv) is geschonden. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten het slachtoffer [naam slachtoffer] te horen en daardoor is niet bekend wat de wens van het minderjarige slachtoffer is ten aanzien van de vervolging van de verdachte. Er is derhalve niet voldaan aan de inspanningsverplichting die uit artikel 167a Sv volgt, wat dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.
4.2.
Beoordeling
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. De hoorplicht van artikel 167a Sv geldt enkel ten aanzien van minderjarige slachtoffers die ten tijde van het gepleegde misdrijf 12 jaar of ouder zijn. Uit het procesdossier blijkt echter dat [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007) in 2017 jonger was dan 12 jaar.
4.3.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk.

5..Waardering van het bewijs

5.1.
Vrijspraak
5.1.1.
Standpunt officier van justitie
Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaring van de verdachte is ongeloofwaardig. Hij heeft zich tijdens de verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de rechter-commissaris komt de verdachte met de verklaring dat hij met zijn verhaal de betrouwbaarheid van getuige [naam getuige] wilde testen. Aan deze verklaring moet weinig waarde worden gehecht.
[naam] , de moeder van [naam slachtoffer] , heeft wel van meet af aan uitgebreid verklaard. Zij is door getuige [naam getuige] geconfronteerd met de geluidsopname, waarna zij met haar zoon het gesprek is aangegaan. Hij heeft daarop aan haar verteld wat er is gebeurd.
Daarnaast is er de getuigenverklaring van [naam getuige] . Hij heeft bij de politie uitgebreid verklaard wat de verdachte hem allemaal in vertrouwen heeft verteld. De geluidsopname van dit gesprek zit ook in het procesdossier. Ook zit de vertaling van hetgeen wordt gezegd op de video-opname in het dossier. De verdachte wil ter zitting geen toelichting geven op hetgeen hij tijdens deze opname heeft gezegd.
5.1.2.
Beoordeling
De onderhavige zaak betreft de verdenking van een zedenmisdrijf met een minderjarige. De vraag of is voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich in de rechtspraktijk niet zelden juist bij misbruikzaken voor. Dat wekt geen verwondering. Het gaat daarbij immers veelal om zaken waarin de feiten zich in het verborgene afspelen en waarbij het in de kern dus gaat om het woord van het slachtoffer tegen dat van de verdachte.
Getuige [naam getuige] (verder: [naam getuige] ) heeft begin januari 2020 een gesprek met de verdachte gevoerd, waarin de verdachte gezegd zou hebben dat hij [naam slachtoffer] in 2017 betast en gezoend heeft. Dit gesprek is door [naam getuige] opgenomen. De moeder van [naam slachtoffer] , [naam] (verder: [naam] ), heeft op 15 januari 2020 dit geluidsfragment te horen gekregen. [naam] is, nadat zij dit fragment gehoord heeft, nog dezelfde avond met [naam slachtoffer] in gesprek gegaan. [naam slachtoffer] zou toen alles direct verteld hebben. Onbekend is echter hoe dit gesprek is verlopen, welke informatie is uitgewisseld en daarmee - in het verlengde daarvan - hoe de verklaring van [naam slachtoffer] tot stand is gekomen (de zogenaamde “disclosure”). Dit geldt temeer nu [naam] naderhand heeft verklaard dat zij er
gedurende enkele wekenbij [naam slachtoffer] op terug is gekomen en dat hij toen steeds meer heeft verklaard. [naam] heeft ook niet toegestaan dat [naam slachtoffer] nader kon worden gehoord.
De verklaring van [naam] is bovendien een ‘de-auditu’ (van-horen-zeggen) verklaring, waarvan de uiteindelijke bron [naam getuige] is. De verklaring van [naam] geeft om de genoemde redenen onvoldoende steun aan de verklaring van [naam getuige] , terwijl het dossier ook overigens geen bewijs bevat dat die verklaring in voldoende mate ondersteunt.
Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.
5.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

6..Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €17.500,00 aan immateriële schade.
6.1.
Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.
6.2.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

7..Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

8..Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.W.H. van den Emster, voorzitter,
en mr. R. Brand en mr. A.M.J. van Buchem-Spapens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T.W. Veldhoen-Flier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij
op een of meer tijdstip(pen)
in of omstreeks de periode van 01 januari 2017 t/m 31 december 2017 te Rotterdam,
althans in Nederland
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, en met de aan zijn, verdachtes,
zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer]
(geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2007), meermalen, althans eenmaal, (telkens) buiten echt een
of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het
- betasten van de penis van die [naam slachtoffer] en/of
- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer] en/of
- ( tong)zoenen van/met die [naam slachtoffer] ;
( art 247 Wetboek Pro van Strafrecht, art 248 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht )