ECLI:NL:RBROT:2021:8756

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 augustus 2021
Publicatiedatum
7 september 2021
Zaaknummer
10/251859-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OpiumwetArt. 3a lid 5 OpiumwetArt. 310 SrArt. 311 lid 1 sub 4 SrArt. 311 lid 1 sub 5 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs hennepplantage en stroomdiefstal

De rechtbank Rotterdam behandelde op 2 augustus 2021 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het aanwezig hebben van een hennepplantage en het stelen van elektriciteit. De officier van justitie eiste een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.

De tenlastelegging betrof het opzettelijk aanwezig hebben van circa 613 hennepplanten in een pand te Hellevoetsluis en het wegnemen van ongeveer 122.459 kWh elektriciteit van een bedrijf. Een medeverdachte wees de verdachte aan als de persoon die de hennepkwekerij zou hebben opgezet en gefinancierd. Daarnaast was er een getuige die de auto van verdachte bij het pand had gezien.

De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs onvoldoende was. Zo was onduidelijk wanneer de bezoeken aan het pand plaatsvonden en bleek uit aanvullend proces-verbaal dat de verdachte niet de tenaamgestelde was van de auto die bij het pand was gezien. De verklaring van de medeverdachte werd niet voldoende ondersteund door andere bewijzen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het bezit van een hennepplantage en stroomdiefstal.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/251859-20
Datum uitspraak: 02 augustus 2021
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte],
Raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 02 augustus 2021.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
Beide feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: [naam medeverdachte]) wijst verdachte [naam verdachte] aan als degene die hij kent als ‘[naam]’. [naam] is volgens [naam medeverdachte] de persoon die de hennepkwekerij heeft gefinancierd, opgezet en onderhouden. Daarnaast is de auto van de verdachte door een getuige bij de woning aan de [adres 1] gezien.
4.1.2.
Beoordeling
[naam medeverdachte] noemt tijdens zijn verhoor bij de politie de verdachte als degene die - onder meer - de hennepkwekerij heeft opgezet en herkent hem van een getoonde foto. Ter ondersteuning van die verklaring bevindt zich in het dossier het briefje dat door een onbekend gebleven getuige aan de verbalisanten is overhandigd. Op dit briefje staan twee kentekens genoteerd, die zouden horen bij bestuurders die de woning aan de [adres 1] hebben bezocht. De verbalisanten hebben de onbekend gebleven getuige niet (nader) ondervraagd, waardoor met name niet duidelijk is geworden op welk moment respectievelijk op welke periode de gestelde bezoeken zien. Voorts is door de verbalisanten in eerste instantie genoteerd dat de verdachte de tenaamgestelde van de auto, behorende bij één van deze twee kentekens (zijnde het kenteken [kentekennummer]) zou zijn. Uit een daags voor de terechtzitting overgelegd aanvullend proces-verbaal blijkt echter dat dit niet juist is.
Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs, om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5..Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6..Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. Brand, voorzitter,
en mr. Ch. Vogtschmidt en mr. D. van der Sluis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T.W. Veldhoen-Flier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij, in of omstreeks de periode van 15 mei 2019 tot en met 2 oktober 2019 te Hellevoetsluis,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1])
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 613 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk
geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet Pro, art 3 ahf Pro/ond B Opiumwet, art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij, in of omstreeks de periode van 3 april 2020 tot en met 2 oktober 2019 te Hellevoetsluis,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid elektriciteit (te weten ongeveer 122.459 kWh), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] ([adres 2]),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht )