De rechtbank Rotterdam behandelde op 2 augustus 2021 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het aanwezig hebben van een hennepplantage en het stelen van elektriciteit. De officier van justitie eiste een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.
De tenlastelegging betrof het opzettelijk aanwezig hebben van circa 613 hennepplanten in een pand te Hellevoetsluis en het wegnemen van ongeveer 122.459 kWh elektriciteit van een bedrijf. Een medeverdachte wees de verdachte aan als de persoon die de hennepkwekerij zou hebben opgezet en gefinancierd. Daarnaast was er een getuige die de auto van verdachte bij het pand had gezien.
De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs onvoldoende was. Zo was onduidelijk wanneer de bezoeken aan het pand plaatsvonden en bleek uit aanvullend proces-verbaal dat de verdachte niet de tenaamgestelde was van de auto die bij het pand was gezien. De verklaring van de medeverdachte werd niet voldoende ondersteund door andere bewijzen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.