Op 15 november 2019 werd een voertuig met valse kentekenplaten gevolgd nadat het terrein van een bedrijf in Rotterdam had verlaten. Bij de achtervolging vluchtten drie inzittenden, waarbij één zijn jas verloor. In het voertuig werden sporttassen met 492 pakketten cocaïne aangetroffen. DNA-sporen van de verdachte werden op de jas, rugzak, sigarettenpakje en andere voorwerpen gevonden.
De verdediging stelde dat de DNA-sporen op verplaatsbare voorwerpen niet bewijzen dat de verdachte betrokken was en gaf een alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van DNA op de jas. De rechtbank verwierp deze verklaring als ongeloofwaardig en oordeelde dat de DNA-sporen dadersporen zijn die de betrokkenheid van de verdachte bevestigen.
De rechtbank wees het verzoek tot het horen van getuigen af wegens onvoldoende onderbouwing van het belang. Het primair ten laste gelegde feit van medeplegen van invoer van circa 491 kilo cocaïne werd wettig en overtuigend bewezen verklaard. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de bijdrage aan het illegale drugscircuit en de noodzaak van een substantiële straf om een duidelijk signaal af te geven. De straf is lager dan geëist, maar passend gelet op rechtsgelijkheid en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.