De veroordeelde was voorwaardelijk in vrijheid gesteld met diverse voorwaarden, waaronder een locatiegebod en meldplicht bij de reclassering. Het openbaar ministerie vorderde de (gedeeltelijke) herroeping van deze voorwaardelijke invrijheidstelling wegens meerdere overtredingen van deze voorwaarden.
Tijdens de terechtzitting op 13 augustus 2021 werd vastgesteld dat de veroordeelde onvoldoende meewerkte aan zijn behandelverplichtingen, het locatiegebod meerdere malen overtrad door onder andere de enkelband niet tijdig op te laden en niet op het opgegeven adres te verblijven, en zijn meldplicht wisselend nakwam. Ondanks waarschuwingen en kansen om de voorwaarden na te leven, bleef de veroordeelde in gebreke.
De verdediging voerde aan dat de overtredingen vooral voortkwamen uit een turbulente relatie met zijn partner en dat de duur van de herroeping niet in verhouding stond tot de ernst van de overtredingen. De rechtbank oordeelde echter dat dit geen rechtvaardiging vormt voor het niet naleven van het locatiegebod en andere voorwaarden.
De rechtbank besloot daarom de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat nog niet is uitgevoerd, alsnog voor 365 dagen moet worden ondergaan.