Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 17 maart 2021, met producties 1 tot en met 19;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties 1 tot en met 7;
- de incidentele conclusie van antwoord.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure vordert Havirit B.V. betaling van openstaande facturen van NLCE c.s. op grond van een samenwerkingsovereenkomst. NLCE c.s. voert een bevoegdheidsincident aan en stelt dat de rechtbank niet bevoegd is vanwege een arbitragebeding in de algemene voorwaarden dat mediation en arbitrage voorschrijft voor geschillen, met uitzondering van incassogeschillen en spoedeisende zaken.
De rechtbank onderzoekt of het geschil kwalificeert als een incassogeschil. Havirit stelt dat het om een incassogeschil gaat omdat facturen onbetaald zijn gebleven. NLCE c.s. betwist dit en voert inhoudelijk verweer tegen de facturen, waardoor volgens de rechtbank sprake is van een materieel geschil over de gemaakte afspraken achter de facturen.
De rechtbank oordeelt dat het arbitragebeding en de uitzonderingssituaties mede in het licht van het mediationbeding moeten worden uitgelegd. Omdat het geschil niet gaat om een onbetwiste geldvordering, valt het niet onder de uitzonderingssituatie voor incassogeschillen. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen.
Havirit wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank wijst het incident toe en bepaalt dat het vonnis onmiddellijk appellabel is.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de incassovordering en veroordeelt Havirit in de proceskosten.