De rechtbank Rotterdam behandelde op 17 augustus 2021 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. De ouders oefenen het gezag uit, maar vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen en complexe problematiek verblijven de kinderen buiten het ouderlijk huis: twee in behandelgroepen en één in een pleeggezin.
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de maatregelen voor een jaar, waarbij het verzoek voor het derde kind werd aangepast tot verlenging van uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening. De vader en moeder stemden in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar voerden verweer tegen de uithuisplaatsing, met name voor het derde kind. De vader benadrukte zijn inzet en vooruitgang, terwijl de moeder de omgangsfrequentie als te beperkt ervaarde.
De kinderrechter concludeerde dat het perspectief van de eerste twee kinderen niet bij de ouders ligt en verlengde hun uithuisplaatsing voor een jaar. Voor het derde kind was het perspectief onduidelijk door tegenstrijdige rapportages en de grote inzet van de vader. Daarom werd de uithuisplaatsing voor zes maanden verlengd en werd de GI verzocht om nader onderzoek naar een mogelijke gezagsbeëindiging. De omgang tussen ouders en kinderen blijft een aandachtspunt, waarbij het belang van het kind voorop staat.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de behandeling van overige verzoeken wordt aangehouden tot een pro forma zitting op 1 maart 2022, waarbij een rapportage van de GI wordt verwacht.