Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
- [naam eiser], voornoemd;
- mr. Mimpen, voornoemd;
- mr. D. de Jong, patroon mr. Mimpen;
- mr. Ris, voornoemd;
- [naam 1], voorzitter WSV,
- [naam 2], vice-voorzitter WSV.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen eiser en de Watersportvereniging Maartensgat (WSV) over een strook grond waarop sanitaire voorzieningen staan. Eiser vordert vernietiging van een vaststellingsovereenkomst en aanvullende vorderingen, stellende dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst verkeerde informatie had over het tijdstip van plaatsing van de voorzieningen.
De rechtbank onderzoekt of sprake is van dwaling en of de vaststellingsovereenkomst op een onjuiste veronderstelling van zaken is gebaseerd. Uit de stukken blijkt dat de revisietekening waarop eiser zich beroept een vervalste datum bevat en dat de vergunningaanvraag uit 1994 niet specifiek betrekking had op de sanitaire voorzieningen. WSV betwist de stellingen van eiser gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst niet vernietigd kan worden omdat er geen sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken die dwaling rechtvaardigt. Tevens wordt vastgesteld dat eiser bewust een vervalst bewijsstuk heeft ingebracht, wat leidt tot een volledige proceskostenveroordeling ten laste van eiser.
De vorderingen van eiser worden afgewezen, evenals de reconventionele vorderingen van WSV. De proceskosten worden volledig aan eiser opgelegd, inclusief griffierecht, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst af en veroordeelt eiser in de volledige proceskosten wegens het gebruik van een vervalst bewijsstuk.