ECLI:NL:RBROT:2021:8894

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 augustus 2021
Publicatiedatum
13 september 2021
Zaaknummer
C/10/621823 / JE RK 21-1885
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot ondertoezichtstelling van minderjarige wegens bedreiging ontwikkeling en opvoedsituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 9 juli 2021 om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden. De moeder was het hier niet mee eens vanwege een lopende jeugdreclasseringsmaatregel, maar de kinderrechter oordeelde dat deze maatregel onvoldoende was voor het verbeteren van de relatie tussen moeder en kind.

De minderjarige vertoonde opstandigheid en zelfbepalend gedrag, en verbleef de afgelopen periode op verschillende plekken. De moeder toonde een wisselende houding tegenover hulpverlening en had een druk leven met een groot gezin, wat haar draagkracht beïnvloedde. De school had het kind na een incident in december 2020 geweigerd fysiek onderwijs te volgen.

De gecertificeerde instelling en de kinderrechter concludeerden dat de ontwikkeling van het kind ernstig werd bedreigd en dat de moeder niet altijd adequaat op het gedrag kon reageren. Positieve stappen waren gezet, maar de inzet van een jeugdbeschermer bleef noodzakelijk. De kinderrechter stelde de ondertoezichtstelling in voor negen maanden, korter dan door de Raad gevraagd, met het oog op vrijwillige begeleiding daarna.

De beschikking werd op 24 augustus 2021 mondeling gegeven door kinderrechter A.A.J. de Nijs en griffier M.M.C. van der Knaap. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht voor negen maanden wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling en problematische opvoedsituatie.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/621823 / JE RK 21-1885
datum uitspraak: 24 augustus 2021

beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2005 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 9 juli 2021, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.
Op 24 augustus 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:
- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam 1],
- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam
Rijnmond (hierna: de GI), [naam 2].
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de moeder,
- de vader, als informant.
[naam kind] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 3 juni 2021 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld tot
3 september 2021.

Het verzoek

De Raad heeft een ondertoezichtstelling van [naam kind] verzocht voor de duur van twaalf maanden.
De Raad heeft dit verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De moeder geeft aan dat er geen ondertoezichtstelling nodig is, omdat er een jeugdreclasseringsmaatregel loopt. De jeugdreclasseringsmaatregel is echter met name gericht op [naam kind], terwijl er ook moet worden gewerkt aan de relatie tussen de moeder en [naam kind]. De afgelopen periode heeft [naam kind] op verschillende plekken verbleven. De moeder is ambivalent in haar wensen ten aanzien van de verblijfplek van [naam kind]. Daarnaast heeft de moeder een wisselende houding tegenover de hulpverlening. Het is van belang dat er iets verandert in het gezinssysteem. De moeder heeft een druk leven en dit vraagt veel van haar draagkracht. De moeder zal, ook als hij minder goed gedrag vertoont, moeten aansluiten bij de opvoedbehoeften van [naam kind].
Het is positief dat de moeder hard aan de slag is gegaan met de zorgen over de schoolgang van [naam kind].

Het standpunt van de GI

De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De moeder doet veel moeite om een en ander met school te regelen. Na een incident in december 2020 heeft de school aangegeven dat [naam kind] geen fysiek onderwijs meer kan volgen. Hij kan nog wel digitaal zijn lessen volgen, maar dit is niet wenselijk. De GI en de moeder hebben contact gehad met de school en met andere scholen in de regio Vlaardingen. [naam kind] wilde graag naar het College Vos, maar hij is hiervoor afgewezen.
Er is (nog) geen zicht op de hechtingsrelatie tussen [naam kind] en de moeder.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over het zelfbepalende en opstandige gedrag van [naam kind] en over de opvoedsituatie van [naam kind] bij de moeder. De moeder lijkt niet altijd in staat om op voldoende adequate wijze te reageren op het gedrag van [naam kind], mogelijk mede door het feit dat zij de zorg heeft over een groot gezin, waaronder een baby. De moeder doet ook wisselende uitspraken over het verblijf van [naam kind] in de thuissituatie.
De afgelopen periode zijn er door [naam kind] en de moeder stappen in de goede richting gezet. [naam kind] aanvaart het gezag van de moeder, houdt zich aan de afspraken die zijn opgelegd door de rechtbank en werkt mee met de hulpverlening.
De GI is betrokken in het kader van een jeugdreclasseringsmaatregel en de voorlopige ondertoezichtstelling van [naam kind]. Uit het eindverslag van Enver van 7 juli 2021 blijkt dat [naam kind] en de moeder vinden dat zij momenteel voldoende ondersteuning ontvangen, nu [naam kind] met vragen terecht kan bij zijn coach vanuit Yets en de moeder de jeugdbeschermer kan benaderen voor hulp. In het eindverslag wordt een aantal aandachtspunten voor de betrokken hulpverlening genoemd. De kinderrechter leidt hieruit af dat de ambulant hulpverlener van Enver er vanuit gaat dat de jeugdbeschermer de komende periode betrokken blijft bij [naam kind] en de moeder en dat de moeder de begeleiding van de jeugdbeschermer accepteert. Van belang daarbij is dat de taak van een jeugdbeschermer een andere is dan die van een jeugdreclasseerder; de jeugdbeschermer richt zich ook op de moeder en haar relatie met [naam kind].
Alles overziend is de kinderrechter van oordeel dat de inzet van een jeugdbeschermer nog noodzakelijk is om zicht te houden op [naam kind], de moeder en de algehele opvoedsituatie, waaronder de door Enver opgestelde aandachtspunten.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de prille positieve ontwikkelingen, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlenen voor een kortere duur dan door de Raad is verzocht, te weten voor de duur van negen maanden. Het verzoek wordt voor de overige drie maanden afgewezen, omdat de kinderrechter ervan uitgaat dat [naam kind] en de moeder tegen die tijd de begeleiding in het vrijwillig kader voldoende zullen accepteren, indien deze begeleiding dan nog nodig is.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [naam kind] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 24 augustus 2021 tot 24 mei 2022;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 september 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.