De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 9 juli 2021 om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden. De moeder was het hier niet mee eens vanwege een lopende jeugdreclasseringsmaatregel, maar de kinderrechter oordeelde dat deze maatregel onvoldoende was voor het verbeteren van de relatie tussen moeder en kind.
De minderjarige vertoonde opstandigheid en zelfbepalend gedrag, en verbleef de afgelopen periode op verschillende plekken. De moeder toonde een wisselende houding tegenover hulpverlening en had een druk leven met een groot gezin, wat haar draagkracht beïnvloedde. De school had het kind na een incident in december 2020 geweigerd fysiek onderwijs te volgen.
De gecertificeerde instelling en de kinderrechter concludeerden dat de ontwikkeling van het kind ernstig werd bedreigd en dat de moeder niet altijd adequaat op het gedrag kon reageren. Positieve stappen waren gezet, maar de inzet van een jeugdbeschermer bleef noodzakelijk. De kinderrechter stelde de ondertoezichtstelling in voor negen maanden, korter dan door de Raad gevraagd, met het oog op vrijwillige begeleiding daarna.
De beschikking werd op 24 augustus 2021 mondeling gegeven door kinderrechter A.A.J. de Nijs en griffier M.M.C. van der Knaap. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.