Eiser heeft een Wajong-uitkering aangevraagd die door het UWV is geweigerd wegens vermeend niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De verzekeringsarts concludeerde dat er mogelijk sprake is van tijdelijke beperkingen die met behandeling kunnen verbeteren, maar dit oordeel was onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank stelt vast dat het UWV geen arbeidsdeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, terwijl dit volgens het beoordelingskader noodzakelijk is om de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende concreet gemotiveerd op welke wijze behandeling kan leiden tot verbetering van arbeidsvermogen.
Daarom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank geeft het UWV acht weken de tijd om het gebrek te herstellen door een gezamenlijke beoordeling van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
De rechtbank houdt verdere beslissing aan en wijst erop dat de beoordeling moet zien op de situatie op de datum van de aanvraag in februari 2020. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open, maar kan wel samen met de einduitspraak worden ingesteld.