ECLI:NL:RBROT:2021:8958

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 september 2021
Publicatiedatum
15 september 2021
Zaaknummer
ROT 21/4587
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 30.2.2 bestemmingsplan Prinsenland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken materiële connexiteit bij weigering omgevingsvergunning bouwen

Verzoeker heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen op een locatie te Rotterdam, welke door het college van burgemeester en wethouders is geweigerd. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om handhaving tegen het bouwen te voorkomen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en beoordeeld aan de hand van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarin formele en materiële connexiteit worden geëist voor ontvankelijkheid van een verzoek om voorlopige voorziening. Hoewel formele connexiteit aanwezig is, ontbreekt materiële connexiteit omdat het verzoek om voorlopige voorziening ziet op het mogen doorbouwen op basis van een eerder verleende vergunning, terwijl het bestreden besluit de weigering van een nieuwe vergunning betreft.

De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek geen betrekking heeft op het geschil dat in de bodemprocedure aan de orde is en verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4587
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. W.J. Haeser,
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A.J.J. van der Vlist.

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [persoon A] , te [plaats A] ,

gemachtigde: mr. A.A.M. van der Linden.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de door verzoeker aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen op de locatie [adres] te Rotterdam geweigerd.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2021 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A.J.J. van der Vlist en mr. W.H.M. van der Zwan. Derde-partij is verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat bestreden besluit (materiële connexiteit).
3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen op de locatie [adres] te Rotterdam geweigerd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, sub c, van de Wabo, omdat het bouwplan in strijd is met artikel 30.2.2, onder j, onder 2, van het bestemmingsplan “Prinsenland”.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker met dit verzoek om voorlopige voorziening wenst te bereiken dat verweerder niet handhavend zal optreden tegen het bouwen van het bouwwerk waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verleend zolang het bestreden besluit nog niet onherroepelijk is. Ter zitting heeft verzoeker, kort samengevat, nog aangegeven dat de materiële connexiteit gelegen is in de omstandigheid dat het bestreden besluit ook de vraag bevat of er doorgebouwd mag worden. Gelet daarop is er volgens verzoeker sprake van materiële connexiteit.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het verzoek om voorlopige voorziening niet aan het vereiste van materiële connexiteit. Verzoeker heeft zijn verzoek om voorlopige voorziening ingediend in het kader van zijn bezwaar gericht tegen het bestreden besluit. Dit besluit ziet op de weigering van de door verzoeker aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen op de locatie [adres] te Rotterdam. Verzoeker wenst met zijn verzoek te bereiken dat hij, in afwijking van de eerder voor die locatie verleende omgevingsvergunning, mag doorbouwen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de gevorderde voorlopige voorzienig geen betrekking op het connexe, in de bodemprocedure voorliggende geschil.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2021 door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter
is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.