ECLI:NL:RBROT:2021:9049

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 augustus 2021
Publicatiedatum
20 september 2021
Zaaknummer
FT EA 21/821 hardheidsclausule
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 288 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek schuldsaneringsregeling met toepassing hardheidsclausule

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van verzoekster tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster verkeert in een situatie waarin zij niet langer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Hoewel de schuld aan het CJIB uit 2018 in beginsel tegen toewijzing pleit vanwege het ontbreken van goede trouw, is de grootste schuld aan ING ouder dan vijf jaar.

De rechtbank beoordeelde dat verzoekster sinds 9 oktober 2020 onder beschermingsbewind staat en sindsdien geen nieuwe schulden heeft gemaakt. De financiële situatie is dankzij een budgetplan stabiel en verzoekster houdt zich aan gemaakte afspraken. Tevens heeft zij toegezegd tijdens de regeling actief te zullen solliciteren.

Op grond van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro kan het verzoek ondanks het ontbreken van goede trouw worden toegewezen indien aannemelijk is dat de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle zijn. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is en wijst het verzoek toe, benoemt een rechter-commissaris en kent een voorschot toe voor de bewindvoerder.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met benoeming van rechter-commissaris en voorschot voor bewindvoerder.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 16 augustus 2021
[verzoekster],
[adres],
[woonplaats],
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 9 augustus 2021.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..De beoordeling

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar de schuld die verzoekster heeft aan het CJIB van in totaal € 5.661,- uit 2018. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw en staat in beginsel aan toelating in de weg. Daarnaast betreft de grootse schuldeiser de [schuldeiser] met een vordering van € 23.039,95 uit 2015. Deze vordering beslaat 54,4 % van de totale schuldenlast.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is.
Verzoekster staat sinds 9 oktober 2020 onder beschermingsbewind en heeft nadien geen nieuwe schulden meer gemaakt. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder aangegeven dat het bewind goed verloopt en dat de financiële situatie van verzoeksterdankzij een budgetplan thans stabiel is. Verzoekster ontvangt maandelijks leefgeld en houdt zich aan alle gemaakte afspraken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de grootste schuld aan [schuldeiser], daterend uit 2015, ouder is dan vijf jaar. De vordering van het CJIB is van recentere datum, maar gezien de omstandigheden van het geval, en met name de wijze van ontstaan van het merendeel van de schulden, oordeelt de rechtbank dat deze schuld toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
Voorts heeft de rechtbank ter zitting met verzoekster gesproken over de gedurende de schuldsaneringsregeling geldende verplichtingen, waaronder de sollicitatieverplichting. Verzoekster werkt thans 27 uur per week en heeft ter zitting toegezegd aanvullend te zullen solliciteren naar een betaalde baan voor tenminste 36 uur per week.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

3..De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.C.A.T. Frima
en tot bewindvoerder H.A. Thomason,
gevestigd te Postbus 12,
3214 ZG Zuidland;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van
B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2021.