Gülek Beheer B.V. vordert de ontruiming van een horecaruimte die zij verhuurt aan Le Bateau B.V. vanwege een aanzienlijke huurachterstand. Le Bateau beroept zich op huurkorting van 50% over de coronaperiode en stelt dat zij door de gedwongen sluiting van de horeca niet in staat was de volledige huur te betalen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een ontruiming in kort geding slechts kan worden toegewezen indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen en met grote mate van waarschijnlijkheid de huurovereenkomst zal worden ontbonden in een bodemprocedure. Ondanks het erkende recht op huurkorting, is de resterende huurachterstand nog steeds substantieel.
Le Bateau heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de achterstand op korte termijn kan inlopen, mede gelet op haar slechte financiële positie en het ontbreken van concrete onderbouwing van omzetverlies. De vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen met een termijn van 14 dagen. De vorderingen tot betaling van de huurachterstand en bijkomende kosten worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang in kort geding.
De vordering van Le Bateau om een verklaring voor recht omtrent opschorting van de huurbetaling wordt afgewezen wegens het voorlopige karakter van kort geding. Beide partijen worden in proceskosten veroordeeld, waarbij Le Bateau de kosten van Gülek moet vergoeden.