Both, huurder van een pand met een voorkeursrecht van koop, stelde dat zij op 4 november 2017 een mondelinge koopovereenkomst met de toenmalige eigenaar had gesloten tegen een prijs van €450.000, onder de voorwaarde dat zij het pand zou renoveren. Both vorderde in kort geding een verbod tot levering van het pand aan een derde, omdat het pand was verkocht aan een andere partij.
De rechtbank oordeelde dat Both onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de koopovereenkomst daadwerkelijk tot stand was gekomen. Getuigenverklaringen ondersteunden de stelling niet concreet en de correspondentie van Both toonde geen bevestiging van de koopprijs of afspraken. Daarnaast was Both niet tijdig overgegaan tot het uitoefenen van haar voorkeursrecht, waardoor dit verviel.
Ook speelde mee dat de eigenaar op het moment van de vermeende overeenkomst niet handelingsbekwaam was, wat de geldigheid van een eventuele koopovereenkomst betwistbaar maakt. De rechtbank concludeerde dat het zeer waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat geen geldige koopovereenkomst bestaat.
Daarom werd de vordering van Both afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij. Het vonnis werd uitgesproken door rechter P. de Bruin op 17 september 2021.