De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingszaak waarbij de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aanvroeg en een partnerbijdrage wilde vaststellen.
Partijen waren sinds 1992 gehuwd en de vrouw had een verzoek tot echtscheiding ingediend. Na bespreking van de persoonlijke en woonsituatie kwamen partijen overeen dat de man uiterlijk 1 oktober 2021 de woning zou verlaten. De rechtbank kende het uitsluitend gebruik van de woning toe aan de vrouw vanaf die datum en verbood de man de woning verder te betreden.
Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een partnerbijdrage werd afgewezen omdat zij onvoldoende had onderbouwd dat zij vanwege haar medische situatie en het niet werken niet zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank benadrukte dat bij beëindiging van het huwelijk de verantwoordelijkheid ligt om zoveel mogelijk zelf te voorzien in het levensonderhoud.
Tot slot bepaalde de rechtbank dat elke partij zijn eigen proceskosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan met politiehulp worden uitgevoerd.