De rechtbank Rotterdam behandelde beroepen tegen verkeersbesluiten waarbij tweerichtingsverkeer op de Sallandweg werd ingesteld, een fietspad werd verlegd en de routering van bussen, expeditie-verkeer en parkeerders werd gewijzigd. Eisers betoogden dat de besluiten in strijd waren met de Wegenverkeerswet 1994, onder meer vanwege onvoldoende onderzoek naar overlast, gebruik van verouderde rapporten, en een onevenwichtige belangenafweging.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de weg centraal staan en dat de gebruikte onderzoeken, waaronder milieueffectrapportages, toereikend waren. Verweerder had maatregelen genomen om geluidsoverlast, luchtkwaliteit en trillingen binnen normeringen te houden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere toezeggingen niet concreet of bindend waren.
Echter, de rechtbank vond dat de motivering van verweerder over de verkeersveiligheid onvoldoende was, met name over de rijstrookbreedte en de verkeerssituatie bij de onderdoorgang. De motivering over obstakelvrees en de kruising bij de Twentestraat was onvoldoende onderbouwd. Daarom stelde de rechtbank vast dat de besluiten een motiveringsgebrek vertonen en gaf zij verweerder vier weken de gelegenheid dit te herstellen. De procedure wordt aangehouden tot een einduitspraak.