Eiser, de zoon van gedaagde, stelde dat gedaagde zonder toestemming in de periode van augustus 2017 tot november 2020 in totaal €17.035,00 van zijn bankrekening naar zijn eigen rekening heeft overgeboekt. Gedaagde voerde aan dat hij de financiële belangen van eiser behartigde en dat er mondelinge afspraken waren over betalingen en leningen.
De rechtbank stelde vast dat gedaagde inderdaad over de rekening van eiser kon beschikken, maar dat betalingen uitsluitend ten behoeve van eiser gedaan moesten worden. Gedaagde kon slechts een deel van de overboekingen rechtvaardigen met betalingsbewijzen en terugboekingen, waardoor een restant van €4.397,25 onrechtmatig was toegeëigend.
De rechtbank wees de stelling van gedaagde dat het om leningen ging af wegens gebrek aan bewijs. De vordering van eiser werd grotendeels toegewezen en gedaagde werd veroordeeld tot terugbetaling van het onrechtmatig toe-eigende bedrag. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familieband en deels gelijkstelling van partijen.